De inpaklobby

Het nieuws van nu lijkt op het nieuws van toen. De JSF komt er toch, met dank aan het militair-industrieel complex. Eisenhower kende dat al.

Het nieuws van nu lijkt op het nieuws van toen. De JSF komt er toch, met dank aan het militair-industrieel complex. Eisenhower kende dat al.

De Nederlandse volksvertegenwoordiging blijft bezig: wordt het nieuwe gevechtsvliegtuig de Lockheed F-35, of wordt het de Lockheed F-35, of wordt het de Lockheed F-35? De Rekenkamer slaat – net als de Amerikaanse rekenaars – alarm over alle onzekerheden rond de financiering, het Centraal Planbureau meent dat er van extra werkgelegenheid geen sprake is, burgemeesters zien ongekende geluidsproblemen opdoemen, militaire strategen vragen zich af of het concept van de JSF nog wel past in de oorlogspraktijk van de 21ste eeuw, maar iedere twijfel slaat stuk op een muur. De burger kijkt toe, met open mond.

Wat speelt hier? Laten we, los van alle politieke verwikkelingen, het beestje toch maar bij de naam noemen: we zien hier de lok-, dreig-, dwang- en inpaklobby van het zogenaamde militair-industriële complex op volle kracht in actie. Het rapport van de Commissie van Drie, die in 1976 onderzoek deed naar de rol van Prins Bernhard in de Lockheed-affaire, geeft en passant een aardige kijk op de methoden die bij zo’n Amerikaanse lobbycampagne worden toegepast. Het is ook niet toevallig dat de term ‘militair-industrieel complex’ voor het eerst in de Verenigde Staten werd gebruikt. Alleen was het niet een pacifist of een linkse Democraat die het begrip lanceerde, maar de Republikeinse president Dwight Eisenhower.

Eisenhower had, als opperbevelhebber van de Amerikaanse troepen in Europa, van nabij de gigantische expansie van de Amerikaanse bewapeningsindustrie tijdens de oorlogsjaren meegemaakt. Na de Tweede Wereldoorlog bleek het onmogelijk om deze geest weer terug in de fles te duwen. Sterker nog, tussen het Pentagon – vooral de luchtmacht – en de oorlogsindustrie ontstonden steeds hechtere banden, mede dankzij de vele gepensioneerde generaals en admiraals die in de industrie een nieuw en uitstekend betaald bestaan vonden. Er was zo binnen de Amerikaanse politiek een nieuwe machtsfactor ontstaan, die overal zijn invloed deed gelden.

Eisenhower maakte zich, in de gespannen sfeer van de Koude Oorlog, steeds meer zorgen over deze combinatie van niets ontziende handelsdrift, militaire ambitie en politieke oorlogstaal. Zozeer zelfs, dat zijn afscheidsrede op 17 januari 1961 grotendeels gewijd was aan dit verschijnsel. Hij legde, zo zei hij, zijn verantwoordelijkheden op dit gebied neer met een gevoel van teleurstelling. Er was geen blijvende vrede in zicht, „maar ik kan gelukkig wel zeggen dat oorlog is voorkomen”. En vervolgens ging hij in op het almaar groeiende aantal bedrijven dat grotendeels of geheel draaide op het produceren van wapens. „Dit samengaan van een immense militaire organisatie en een grote wapenindustrie is nieuw in de Amerikaanse belevingswereld.” Hij erkende de dwingende noodzaak van deze ontwikkeling, maar tegelijk waarschuwde hij met kracht voor de gevolgen. „Binnen de overheidsinstellingen moeten we ons hoeden tegen de verwerving van ongerechtvaardigde invloed, hetzij gewild, hetzij ongewild, van het militair-industrieel complex. De mogelijkheid van de rampzalige opkomst van misplaatste macht bestaat en zal blijven bestaan.”

De woorden van Eisenhower, zo blijkt uit zijn dagboeken en privénotities, waren deels ingegeven door economische zorgen. De bewapeningswedloop, met het daarbij behorende gevaar voor overbesteding en inflatie, zou het land immers op den duur kunnen verstikken. „Er is geen verdediging voor een land dat zijn eigen economie om zeep helpt.” Maar zijn vrees was vooral gebaseerd op zijn ervaringen gedurende de laatste jaren van zijn presidentschap. Na de lancering van de Spoetnik, de eerste Russische kunstmaan, op 4 oktober 1957 was Amerika zeker vier jaar lang in de ban van de zogenaamde ‘missile gap’, de vermeende kloof in rakettechnologie tussen de Sovjets en de Amerikanen. De VS, zo schreef de Washington Post, „verkeerden in het grootste gevaar in hun geschiedenis”.

Eisenhower wist dat de ‘ missile gap’ een mythe was. Zijn U-2 spionagevliegtuigen signaleerden bij de Russen een buitengewoon trage voortgang van de raketproductie en een grote achterstand op het terrein van lange afstandsbommenwerpers, terwijl bij de Amerikanen een hele nieuwe generatie van Titan en Atlas raketten klaar stond om te worden geïntroduceerd. Die informatie was echter topgeheim. Eisenhower moest grommend toezien hoe in 1958 het militaire budget, aangejaagd door het militair-industriële complex, werd verhoogd tot meer dan 40 miljard dollar, meer dan de helft van de toenmalige federale begroting. Ook Kennedy exploiteerde tijdens zijn campagne in 1960 nog uitbundig de ‘missile gap’-hysterie. Al snel na zijn diens aantreden merkten zijn medewerkers dat er inderdaad een ‘missile gap’ bestond – maar dan eentje in het voordeel van de Amerikanen. De Sovjets hielden in hun blufpropaganda die waarheid ook liever onder tafel.

Op kousevoeten verdween de ‘missile gap’ in 1961 uit het publieke debat. Eisenhowers waarschuwing had echter geen noemenswaardig effect. Vijf jaar later ging tweederde van de productie van Boeing en General Dynamics naar het Pentagon, en bij Lockheed was het zelfs viervijfde. De vervlechting bleef toenemen.