Peter Pontiac: afscheid van de Pontiac

Tekenaar Peter Pontiac koos zijn kunstenaarsnaam ooit vanwege het hippe Amerikaanse automerk Pontiac. Nu dat ophoudt te bestaan, legt hij uit hoe hij tot zijn keuze kwam.

Gepimpte Pontiac ’52, Houston ’73. Links Pontiac-logo volgens P. Pontiac Foto C. Lord Lord, C.

‘For Pontiac Quality Comes Too Late’. Die New York Times-kop mailde een gniffelende vriendin me dinsdag als vroege verjaardagsgroet, nadat anderen me eerder al hadden gewezen op omineuze krantenkoppen als ‘Donkere wolken boven Pontiac’ en ‘Pontiac aan zijden draad’. En vandaag ligt op tafel naast de taart het avondblad met voorop een foto van een Pontiac met de tekst ‘Pontiac, rock-‘n’-roll op wielen, verdwijnt’...

Wie ‘Pontiac’ al veertig jaar als nom de plume gebruikt, moet tegen zulke grapjes kunnen. Reclameslogans als ‘Wherever there’s Youth and Fun there’s Pontiac!’ waren per slot van rekening ook ooit goed voor een lach. Veertig jaar is overigens niet helemaal correct, want toen in 1969 voor het eerst tekenwerk van mij van de persen rolde, vond ik als aankomend hippie dat zoiets als een naam onder een tekening uit den boze was, want bourgeois en egomaan. Een vignetje van een kat met een diepzinnig uitroepteken tussen de oortjes, ‘Holy Cat’ genaamd, was toch beduidend relevanter dan de naam Peter Pollmann, waar ik me trouwens voor schaamde. (Te Duits , zeker gezien het oorlogsverleden van mijn vader, over wie ik dertig jaar later het boek Kraut zou maken.) Toen ik begon in te zien dat egoloosheid ook zijn nadelen heeft, zon ik op een pseudoniem. Waarom zou ik niet mogen wat Bob Zimmerman wel mag?

De eerste keer dat ik daadwerkelijk ‘Pontiac’ onder mijn werk schreef, was dat nog als ‘middlename’, en veel gedachten had ik daar toen niet bij. Het klonk goed, deed denken aan de rock-‘n’-roll van Chuck Berry c.s. en het leek een beetje op mijn echte achternaam.

Begin 1973, met Willem ‘Hitweek’ de Ridder logerend in de voormalige Hollywood-villa van nepneger Al Jolson waar een macrobiotisch studiecentrum was gevestigd, ontmoette ik daar iemand die een soort taalkundige versie van numerologie beoefende. Toen die me vertelde dat de naam ‘Pontiac’ – de verbasterde naam Obwandiyag van een Indianenhoofdman – een grote kracht bezat, had ik mijn naam gevonden, besefte ik.

Zeker toen pal aan de overkant van het huis onder een palmboom een prachtige rode Pontiac 8 Convertible uit mijn geboortejaar 1951 bleek te staan, een fifties-jukebox op wielen met een Indianenkop van oranje barnsteen als boegbeeld waar de ondergaande L.A.-zon in de beste filmkitsch-traditie doorheen speelde. Eén keer zag ik zo’n oude Pontiac ook van binnen.

Dertig jaar later, toen ik met een filmploeg op Curaçao was op zoek naar sporen van mijn verdwenen vader, en de onverschrokken cameraman het portier van een langs de weg te koop aangeboden ’52 Pontiac Chieftain opende, me achter het stuur van het chromen gevaarte duwde en begon te filmen.

Helaas moest ik de ijlings toegesnelde eigenaar teleurstellen. De stuurkunst beheers ik niet en een rijbewijs heb ik nooit geambieerd, dit dikwijls tot geamuseerde verbazing van mensen die zich bij mijn, in Hollandse oren ongepast uitsloverig klinkende, artiestennaam een asfaltvretende vetkuif hadden voorgesteld in plaats van de fietsende held op sokken die ik dan blijk te zijn.

Meer Peter Pontiac over ‘Pontiac’ in woord en beeld: nrc.nl/achterpagina