Omcirkelen wat er niet meer is

’t Manco van Georges Perec voldoet aan de speelse wetten van het postmoderne. Daarachter blijkt alles te verwijzen naar Perecs aangrijpende persoonlijke geschiedenis.

De zogenaamde E-hakenkaart van oogarts Hermann Snellen (1834-1908) Uit ‘ABZ’, Redstone

Georges Perec: ’t Manco. Vertaald door Guido van de Wiel. De Arbeiderspers, 311 blz. € 34,95

In Parijs schrijft ’n man – ’t is plus minus 1968. Hij is lid van Oulipo: voor hun was schrijfkunst ’n opdracht tot navolging van ’n voorschrift. Zo maakt dit lid van zo’n club ’n gigantisch lipogram als La Disparition; ’n manuscript waarin wat mist. Dat symbool mist opzichtig maar ’n dagbladcriticus was daar toch blind voor, zo las ik ooit.

Na het lezen van bovenstaande alinea heeft u waarschijnlijk wél al in de gaten wat daarin mist. Schrijven zonder de letter e is vrijwel onmogelijk. Dat weerhield Georges Perec er niet van een lijvige roman te schrijven waarin juist die e ontbreekt. Nu lijkt het Frans zich daar iets beter voor te lenen dan het Nederlands; daarin zijn tenminste nog enkele lidwoorden (la, un), groepen hele werkwoorden en voltooid deelwoorden zonder e, in tegenstelling tot het Nederlands.

Des te groter moet onze bewondering zijn voor Guido van de Wiel, die nu de eerste Nederlandse vertaling van Perecs roman maakte onder de titel ’t Manco. Een vertaler van een lipogram heeft het immers sowieso al exponentieel moeilijker dan de oorspronkelijke auteur. Kan de schrijver naar hartelust gaan waar de e-loze woorden hem heen voeren, van aiguillon tot quidam, de vertaler moet de inhoud van het origineel recht blijven doen, en zit dan dus opgescheept met prikkel of ‘een zeker iemand’.

Want dit bizarre werk heeft ook nog een verhaal. De lezer die volhoudt en gewend raakt aan het geamputeerde proza volgt een geschiedenis over een groep mensen die een ‘hiaat’ op het spoor is, een manco. Tijdens hun zoektocht naar datgene wat ontbreekt komen ze erachter dat ze familie van elkaar zijn. Als in een 19de-eeuwse roman duiken broers en zusters, vergeten kinderen en stiefkinderen, op die dan ook nog huwelijken met elkaar zijn aangegaan. Een onverklaarbaar noodlot hangt hen allen boven het hoofd. Steeds wanneer iemand de clou van het mysterie op het spoor is en de letter ‘e’ op de lippen heeft, sterft hij. Het initiaal van de naam van de dode is daarbij allesbepalend: zo sterft Romuald aan het ontbreken van lucht: ‘pas d’air’ wat in het Frans klinkt als: ‘geen r’. En ook de rest van de fatale gebeurtenissen in de roman volgen eerder talige dan realistische wetten.

We zouden Perecs hoogstandje dus kunnen afdoen als typisch postmodern – de beschreven wereld is ondergeschikt aan de taal, er wordt gespeeld met genres (dagboek, journalistiek, whodunit), de auteur speelt zelf een (bij-)rol in het werk (onder de naam van ‘Baardmans’ blijkt hij de moordenaar te zijn die achter alle personages aanzit). Allemaal keurig volgens de postmoderne wetten. Ook het spelen met de traditie hoort daarbij – van Oedipus tot Moby-Dick: allerlei klassieke en moderne verhalen zijn verweven in La Disparition. Niet toevallig zijn dat steeds ook verhalen waarin iets gezocht wordt. Zo wordt de canon e-loos herschreven. Het moeizaamst gaat dat met gedichten, zoals die van Mallarmé (‘Mallarmus’) of Baudelaire. Van de Wiel stortte zich in zijn vertaling op Nijhoff en Marsman. Denkend aan Holland wordt ‘Droom van Holland’: ‘Dan in dat gigantisch/ Uitzicht, daar duikt ’n/ Agrarisch woonhuis/ soms op in ’t land’.

Nogal flauw natuurlijk, maar onder de ogenschijnlijke onzin gaat bij Perec een heleboel zin schuil. Niet alleen omdat ’t Manco terloops refereert aan religieuze en filosofische ideeën over leegte en afwezigheid, maar omdat het boek gaat over een echte verdwijning. Bij Perec is verdwijnen geen willekeurig thema, aangezien zijn Joodse moeder ‘verdween’ in 1943, toen hijzelf nog een kleuter was.

De vorm, waarin iets structureel ontbreekt, is dus de inhoud. Zij weerspiegelt het leven van Perec, waarin deze disparition centraal staat. Zijn eveneens Joodse vader was al eerder in de Tweede Wereldoorlog gesneuveld op het slagveld toen zijn moeder werd gedeporteerd.

Dat de e in het Frans als ‘eux’, (hun of hen) wordt uitgesproken krijgt dan ook betekenis, net als de twee en elf letters die de Franse titel telt, die verwijzen naar 11 februari, de datum waarop Perecs toen dertigjarige moeder voor het laatst levend is gezien.

Dan blijkt achter de postmoderne spielerei een persoonlijke en pijnlijke boodschap schuil te gaan. En zo bedoelde Perec het ook. In zijn opvatting kwam gevoel pas tot zijn recht als de schrijver zich aan strenge regels hield. Daarom hanteerde hij ‘contraintes’, bewust opgelegde vormbeperkingen – die boden hem een toegang tot het onbewuste.

Die contraintes konden van alles zijn. De sprongen van het paard bijvoorbeeld, die de verhaalstructuur bepalen in de prachtige roman Het leven een gebruiksaanwijzing. Of de opsomming, zoals toegepast in het verhaal ‘De Rue Villin’. Zonder enig commentaar beschrijft de auteur daarin huis na huis een Parijse straat. Wie weet dat een van de adressen Perecs geboortehuis was, begint iets te begrijpen van de lading die achter dit lijstje schuilt. Als je je dan ook nog realiseert dat de zesjarige Georges dit huis moest inruilen voor een reeks kostscholen, begint het een aardig verdrietige opsomming te worden.

Een dergelijke ontroering in de tweede graad weet Perec in al zijn werk op te roepen. Hoe hardnekkiger zijn taalspel, hoe complexer de getallensymboliek, hoe duidelijker wordt dat hij iets zoekt wat nooit meer te vinden zal zijn. Terecht wijst vertaler Van de Wiel er dan ook op dat het hier gaat om veel meer dan een taalspel, alle ingenieuze lipogrammen en pangrammen ten spijt. In het nawoord licht hij niet alleen zijn vertaalkeuze toe, maar ook de pijnlijke achtergrond van de roman. Daarnaast maakte de vertaler nog een gratis te downloaden en zeer lezenswaardige toelichting: ’t Manco, een schatkist. Daarin legt hij nog eens uit dat de roman voor hem gaat over het ‘onzegbare’.

Dat lijkt hij echter nog te poëtisch te begrijpen – er is niets positiefs aan. La Disparition is geen lofzang van Perec op de taal of op wat haar ontsnapt, maar een wanhopige poging om iets te omcirkelen dat zich niet laat benoemen: leegte. Zelf beschouwde Perec de onder contrainte geschreven teksten als de meest aangrijpende die hij ooit schreef.

De ontroering komt echter niet vanzelf bij de lectuur van dit ontzagwekkende boek. De vertaler put zich weliswaar uit in goedbedoelde aansporingen om ’t Manco niet als curiosum opzij te schuiven omdat ‘het lezen ervan wel degelijk loont!’, maar dat lezen is alleen bevredigend wanneer je de dramatische achtergrond van de schrijver kent en het ingenieuze van de vorm bovendien op waarde weer te schatten. Houdt die verwoed puzzelende, eenzame jongeman in je achterhoofd en dan wekt ’t Manco behalve bewondering ook gevoel op.

De door de vertaler gemaakte extra toelichting is te vinden op t-manco.nl. Zie ook oulipo.fr. en nrcboeken.nl voor meer over Georges Perec en zijn werk.

    • Yra van Dijk