Met een emmertje water elke dag door het hek

India probeert zijn grenzen af te schermen voor infiltranten, smokkelaars en avonturiers. Leven tussen de hekken in het niemandsland.

Een paar honderd gezinnen hebben de pech dat de Indiase autoriteiten hier een jaar of vijftien geleden een hoge afrastering met prikkeldraad optrokken om de grens af te schermen. Foto Wim Brummelman Brummelman, Wim

Elke dag als Samima (14) en Lalbanu (13) naar school gaan, moeten ze hun identiteitspasjes laten zien en worden hun tassen doorzocht. Ook boer Insaan Mia (60) moet zijn pasje laten zien voordat de Indiase grensbewakers hem doorlaten zodat hij het onkruid op zijn tarweveld kan gaan wieden. Net als de bejaarde Mahajani Mandal, wier twee zoons haar aan haar lot hebben overgelaten en die moet rondkomen van het kleine beetje geld dat ze verdient met het rollen van bidis, inheemse sigaretten.

De twee schoolmeisjes Samima en Lalbanu en boer Mia wonen in het dorpje Mohabbatpur, de weduwe Mandal een kilometer verderop in Dui Sata Bighi, gewoon op Indiaas grondgebied in de deelstaat West-Bengalen, maar wel pal tegen de grens met Bangladesh aan. Zij hebben de pech dat de Indiase autoriteiten hier een jaar of vijftien geleden een ongeveer drie meter hoge afrastering met prikkeldraad optrokken om de grens af te schermen. Sindsdien woont hier een paar honderd gezinnen in een soort niemandsland, een lange strook van zo’n 150 meter breed tussen het zwarte hekwerk en de eigenlijke grens.

Dat de afrastering nu dwars over de velden van boer Mia loopt en zijn dorp doorsnijdt, komt door vredesafspraken die India en Bangladesh in 1974 maakten. Toen werd overeengekomen dat geen van beide zijden ‘defensieve bouwwerken’ zal aanleggen binnen een afstand van 150 meter van de echte grens. En nu kunnen de ingesloten dorpbewoners slechts op gezette tijden door een hek in de afrastering. Tussen zes en negen uur ’s ochtends, tussen elf en één in de middag en tussen drie en vijf uur in de namiddag, staat op de zwarte metalen deuren waar militairen van de Indiase Border Security Force (BSF) de wacht houden.

Grenzen zijn een grote bron van zorg voor India. Vanuit het noorden wordt met grote regelmaat bericht over gevechten met Pakistaanse infiltranten bij de bestandslijn in Kashmir. Daar is de situatie het meest gespannen. Maar de afgelopen jaren wordt ook steeds vaker gewezen op de terreurdreiging vanuit Bangladesh – onder Pakistaanse regie. De Pakistaanse geheime dienst stuurt islamitische aanslagplegers via Bengaals grondgebied naar India, zo luidt de beschuldiging. En dezelfde geheime dienst stuurt smokkelaars met grote hoeveelheden valse bankbiljetten de grens over om de Indiase economie te ondermijnen.

Volgens India doet Bangladesh veel te weinig om de infiltranten tegen te houden. „Ja, ja, u heeft absoluut gelijk. Ze komen niet uit Bangladesh. Ze komen van Mars!”, reageerde de Indiase minister Mukherjee (toen op Defensie) enkele jaren geleden met ingehouden woede in zijn stem toen hij, op bezoek in Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh, werd geconfronteerd met een hardnekkige ontkenning van de Bengaalse premier Khaleda Zia. In New Delhi is er geen traan om gelaten toen zij eind vorig jaar bij de verkiezingen met grote overmacht werd verslagen door haar aartsrivaal Sheik Hasina Wazed.

In het dorpje Mohabbatpur is weinig te merken van spanning. Grensbewaker Ami Lal maakt een grapje met een vrouw die met een stapel pannen onder haar arm de poort doorgaat. Hij vraagt een oudere man hoe het met zijn gezondheid gaat. En hij strijkt een scholier over de bol. „Het gaat er heel gemoedelijk aan toe. We kennen iedereen hier, en zij kennen ons”, zegt hij. Maar even later geeft hij toe dat de wederzijdse vriendelijkheid slechts oppervlakkig is. Dat wil zeggen: „Iedereen hier weet wie er smokkelt, maar niemand zal uit de school klappen”.

De grenswachten hebben eigenlijk een ondankbare taak. De totale lengte van de grillig verlopende grens tussen Bangladesh en de Indiase deelstaten West-Bengalen, Assam, Meghalaya,Tripura en Mizoram bedraagt bijna 4.100 kilometer. Dat is meer dan de afstand van Rotterdam naar Bagdad. Over een lengte van ruim 2.600 kilometer is inmiddels afrastering aangelegd. Maar waar die ontbreekt, vaak in afgelegen gebieden, hebben infiltranten, smokkelaars en economische gelukzoekers nog steeds grote kans van slagen India ongehinderd binnen te komen.

In Assam en de andere noordoostelijke deelstaten maakt men zich vooral zorgen over verlies van culturele identiteit door de vermeende toestroom van illegale Bengaalse immigranten. Anderzijds: strijders van de Assamese onafhankelijkheidsbeweging ULFA, die recentelijk opnieuw een reeks bloedige aanslagen pleegden in Assam, verschuilen zich op het grondgebied van Bangladesh.

In West-Bengalen maakt men zich druk over de smokkel van vee, van India (waar hindoes geen rundvlees eten) naar Bangladesh. Dat klinkt romantisch, maar het gaat er daarbij soms hard aan toe. Vorig jaar zomer nog werden twee grenswachten van Bangladesh gedood door Indiase collega’s. Dat was een misverstand. Het vuurgevecht ontstond bij de achtervolging van een groep smokkelaars die een grote kudde de grens overdreef.

Boer Mia heeft nooit een koe gesmokkeld, zegt hij. Hij heeft alleen zijn akkers. Niemand smokkelt hier, zeggen de omstanders. Maar grenswachter Lal zegt dat eerder in de maand hier in de buurt een man werd opgepakt met vervalste rupees op zak ter waarde van omgerekend ruim zevenduizend euro.

De bejaarde weduwe Mandal zegt dat ze per dag hoogstens zevenhonderd bidis kan rollen. Dat is te weinig om van rond te komen. Maar ze heeft nog meer kopzorgen. Het grondwater in haar dorpje bevat van nature veel arsenicum. Om drinkwater te krijgen moet ze net als alle buren elke dag met een emmertje naar een waterkraan aan de andere kant van de afrastering. Twee keer per dag komt er een uur lang schoon water uit die kraan. Als ze niet te lang treuzelt, kan ze op tijd terug naar huis voordat het hek weer dichtgaat.