Levensvijandige onsterfelijkheid

Maarten Doorman en Fredie Beckmans bezoeken graven van filosofen. Zoals dat van Ludwig men-is-wat-men-eet Feuerbach.

Graf van Ludwig Feuerbach (1804-1872) in Neurenberg Foto Fredie Beckmans Beckmans, Fredie

Als waar is wat Feuerbach ooit schreef, dan was hij een worst. Want van hem stamt het beroemde Der Mensch ist was er isst. En als men is wat men eet, zou hij een worst zijn, aangezien hij menigmaal in het Neurenbergse worsthuis Zum Gulden Stern werd aangetroffen. Dat althans beweert een bezoeker van deze oudste snackbar van Europa, waar ook stadgenoot Albrecht Dürer enkele eeuwen eerder zijn worstje zou hebben geprikt. De middeleeuwse herberg gaat schouderophalend voorbij aan onze suggestie om een Feuerbacher Rostbratwurst op de kaart te zetten. Toch is Ludwig Feuerbach niet de bekrompen materialist die men soms van hem maakt. Hij verzette zich juist tegen het denken dat alles tot materie wilde reduceren. En al werd hij tijdens zijn leven door theologen verafschuwd en door Karl Marx geprezen wegens zijn kritische benadering van de godsdienst, hij zou tegenwoordig best een vrijzinnig christen kunnen zijn. Hij vond godsdienst geen bijgeloof. Het was eerder een antropologisch verschijnsel, een voor mensen kennelijk onmisbare projectie van religieus bewustzijn. „God is het uitgesproken Zelf van de mens”, schreef Feuerbach. Hij schiep de mens niet naar Zijn beeld, het lag precies omgekeerd. Eigenlijk aanbidden christenen in de kerk een ideaalbeeld van zichzelf, aldus de lichtelijk vileine conclusie. Wie aan zijn massieve zerk op het Sankt-Johannis Kerkhof in Neurenberg staat, doet er goed aan zijn strenge debuut in herinnering te roepen, het anoniem verschenen Gedanken über Tod und Unsterblichkeit uit 1830. Daarin noemt hij het geloof in onsterfelijkheid levensvijandig. De dood, zo stelt hij daar met een Duitse hang naar het totale, is ‘de gehele, de volledige opheffing van je gehele, volledige zijn’. Dat gevoel wordt inderdaad opgewekt bij deze zware steen met de drie verrotte kerststukjes van de Feuerbach-vereniging erop. Dood is dood. Het geschrift werd meteen verboden en de politie bemoeide zich ermee. Binnen enkele jaren werd duidelijk dat Feuerbach een carrière aan de universiteit wel kon vergeten. Hij leefde met zijn vrouw van de opbrengst van haar porseleinfabriek, tot die in 1859 failliet ging. Mede door een oproep van de nog jonge socialistische partij bezocht destijds een ‘onafzienbare menigte’ zijn begrafenis. Maar een worst is nog altijd niet naar hem vernoemd.

Maarten Doorman

    • Maarten Doorman