Leve de crisis! Van fabriek naar club

Het is een trend om kantoren en industriële plekken een nieuwe functie te geven. Zo werd de drukkerij van dagblad Trouw een club.

Hoe pak je zoiets aan?

In de oude drukkerij van dagblad ‘Trouw’ zit nu club TrouwAmsterdam. Foto’s Bram Budel Nederland, Amsterdam, 28-04-2009 Het oude gebouw van Trouw aan de Wibautstraat in Amsterdam. In de oude drukkerij zit nu club Trouw waar je kan eten en dansen, in de kelder waar vroeger het papier lag opgeslagen zijn nu de wc's en de gardarobe. foto: Bram Budel Budel, Bram

Buiten openingstijden is de entree van de nieuwe club ‘TrouwAmsterdam’ lastig te vinden. Enkel een A4’tje met de tekst ‘Gastenlijst’, met plakband bevestigd aan de gevel van de voormalige krantendrukkerij, is bewijs dat dit saaie gebied ’s nachts bruist.

De Amsterdamse Wibautstraat is sinds kort opeens een centrum van muziek en kunstzinnigheid. Want ook aan de overkant van de straat huizen geen journalisten meer; het voormalige Volkskrantgebouw is een verzamelplaats van ateliers geworden, met op de bovenste verdieping een restaurant met dansvloer en dakterras.

Het is al langer een trend om kantoren en industriële plekken een nieuwe functie te geven, zoals de omgebouwde pakhuizen en fabrieken die al jarenlang places-to-be zijn in grote steden: de ‘unieke’ locatie zorgt voor de juiste sfeer, en de eigenaren van de leegstaande panden zijn al lang blij dat er iets gebeurt met hun eigendom – ze ontvangen zelfs huur.

Door de kredietcrisis zullen nog meer kantoren leeg raken. Dus is het vast een koud kunstje om het bedrijvengebied op de Amsterdamse Zuidas om te bouwen tot één groot uitgaanscentrum, gezellig! Hoe pak je zoiets eigenlijk aan?

De compagnons van TrouwAmsterdam, dat een restaurant, expositieruimte, dansvloer en concertpodium huisvest, zijn inmiddels vertrouwd met het plannen maken voor zo’n tijdelijke club. Clubmanager Daan Steures en programmeur Olaf Boswijk werkten eerder bij club ‘11’, een uitgaansgelegenheid op de bovenste verdieping van het oude postkantoor naast het Centraal Station in Amsterdam. Ook 11 was tijdelijk, net als de oude drukkerij van dagblad Trouw dat nu is. Sinds twee maanden zijn de deuren geopend. Tot wanneer? „Over drie jaar moet dit weer gesloopt zijn”, zegt Boswijk. Maar zeker weet hij dat niet. „Je weet nooit hoe lang iets kan duren op de Wibautstraat, waar zo veel plannen voor zijn dat ze toch niet tegelijk kunnen worden uitgevoerd – zeker niet als de financiering nu onzeker raakt. „Leve de kredietcrisis”, grijnst Steures.

We zitten in het restaurant, een pijpenla vol inktvlekken en met een hoog plafond. Hier werden ooit de dagbladen gedrukt; in een van de transportbanden is nog een verfrommelde krant zichtbaar. Mysterieuze briefjes met codes zijn bewust laten hangen, net als waarschuwingsstickers om oorbescherming te dragen.

Toch is het allesbehalve een geïmproviseerde bende; de krukjes in het restaurant zijn weliswaar gemaakt van gerecyclede autobanden, maar van de hand van beginnende kunstenaars – en niet voor een prikkie op de kop getikt. „Veel mensen denken dat het een uit de hand gelopen kraakfeestje is”, zegt Boswijk, maar in de zaak is wel degelijk geïnvesteerd met nieuw gebouwde podia, meubilair en trappen. Er moet bovendien „een fors bedrag” aan huur worden betaald aan de woningcorporatie.

Steures en Boswijk werden voor het ontwikkelen van club TrouwAmsterdam benaderd door woningcorporatie Stadgenoot, die eigenaar is van de panden aan de Wibautstraat. In afwachting van de sloop wil de corporatie voorkomen dat de buurt verloederd door de leegstand – ook de woningen rondom zijn van Stadgenoot. Over drie jaar moeten de kantoorgebouwen (waar verder een ROC ASA is gevestigd) plaatsmaken voor nieuwbouwwoningen.

De halve stad omvormen tot dansgelegenheid klinkt romantisch, maar voor nieuwe horeca gelden strenge eisen: wie een café wil beginnen moet voldoen aan ‘Bibob’-regels, een langdurend onderzoek of je een verleden hebt van zwartgeldtransacties. Ook moet je natuurlijk rekening houden met geluidsisolatie, brandveiligheid en overlast voor de buurt. Veel kosten – en dat voor een slooppand. Waarom Steures en Boswijk het doen? „Het is spannend! En je loopt nooit het risico dat de zaak doodbloedt, dan zijn we alweer weg.” Bovendien is tijdelijke horeca nog altijd gemakkelijker te realiseren dan permanente. Daar gelden nog strengere regels voor.

De echte kantoorlokalen en redactie van dagblad Trouw vonden de ondernemers niet interessant om tot een club om te toveren: „Die ruimtes waren wel érg lelijk.” In de oude drukkerij waren een aantal fijne bijkomstigheden: de muren waren al met dikke lagen beton geïsoleerd om het lawaai van de oorverdovende drukpersen binnen te houden.

Een vergunning regelen was niet moeilijk: de ‘bestemming’ van de panden was toch al ‘bijzonder’, alleen bij het omvormen van woningen tot horeca zouden er problemen zijn ontstaan. Wel moest het hele pand brandveilig worden gemaakt, drie nooduitgangen werden aangebracht, rolstoeltoegangen gebouwd en de toiletten werden verplaatst – om maar een willekeurig aantal van de hoeveelheid ingrepen te noemen. „Toen dit nog drukkerij was, liepen hier misschien vijf mensen rond om de machines te controleren”, zegt Steures. Nu zijn dat er veel meer.

De meeste horecaondernemers maken liever een langetermijnplanning, maar weinig ondernemers willen voor een kapitaal de tent verbouwen om die drie jaar later weer op te doeken. Een lening bij de bank krijgen, is ook al behoorlijk lastig. De twee TrouwAmsterdam-compagnons beamen dat het lang niet makkelijk is om zo’n tijdelijke zaak te starten: ,,Er zijn niet zo veel gekken voor te vinden”.

    • Olga van Ditzhuijzen