Languit liggen voor de kunst

Liggend kunst kijken heeft de toekomst. Iedereen die zichzelf het genoegen heeft gedaan de tentoonstelling van Pipilotti Rist in Museum Boijmans Van Beuningen te bezoeken, kan daar over meepraten.

De Zwitserse kunstenares schiep met gordijnen afgeschermde ruimtes, waarin de bezoeker liggend op bedden, stapels kleden, tapijt en kussens haar almaar vervloeiende films kan ondergaan, onder het genot van fluweelzacht tokkelende klanken.

Projectie van haar sferische naakten op een tv-scherm had de bezoekers vast en zeker door de gangen gejaagd, maar nu nam iedereen kalm de tijd. Soms hoorde je ergens een tevreden, ritmisch knorretje opstijgen – of was ik dat zelf?

De mens is tot luiheid geneigd. De kerk mag vasthouden aan het idee dat ledigheid des duivels oorkussen is, de kunstliefhebber is wel beter opgevoed. Literatuur, films en schilderkunst zijn uiteindelijk gecultiveerde ledigheid, een manier om uit de dagelijkse sleur van de werkweek te worden geweekt. Werk is bourgeois en kunst is fijn antiburgerlijk. Het is ook de kunstenaar zelf die in de traditionele beeldvorming dit anti-werkethos belichaamt: hij is de bohémien, de rebel, de buiten de kantoortijden levende en denkende mens.

Maar de invloed van de kunst is tanende, als we filosoof Alain de Botton moeten geloven. In zijn boek Ode aan de arbeid concludeert hij na tal van gesprekken met werkenden dat de hedendaagse mens vindt dat werk hem gelukkig moet maken. Want werk is wie we zijn.

In de kunsten zelf dringt deze nieuwe opvatting nog maar spaarzaam door. Kunstenaars moeten hun odes aan arbeid als geluksmachine nog maken. Hooguit morrelen ze aan hun imago van geprivilegieerden, vrijgestelden. Maar schrijvers kunnen nog zo vaak zeggen dat een roman concipiëren betekent dat je elke ochtend om 9 uur achter een leeg vel gaat zitten en pas opstaat als je tweeduizend zinvolle woorden hebt getikt – we geloven ze niet.

In tijden van crisis tonen kunstenaars wel betrokkenheid. Er zijn altijd kunstenaars die het in hun kunst om empathie te doen is. Ze tonen verontwaardiging om het lot van de werkloze of laten ons simpelweg en doeltreffend zien wat er eigenlijk gebeurt, terwijl we de alarmerende cijfers en berichten in de krant tot ons nemen. Dit Cultureel Supplement bevat daar enkele treffende, actuele voorbeelden van.

Het is kunst die in een traditie staat. De dichteres Ida Gerhardt, om één voorbeeld te noemen, wist uit eigen ervaring hoe het was om werkloos te zijn en armoede te lijden. Haar depressie beschreef ze in een gedicht dat eindigt met: „Vanmorgen ben ik naar de kerk geweest./ ‘God zal u, als op adelaarsvleugelen, dragen.’/ Maar ik heb zitten zweten als een beest.// Want steeds zag ik, toen de gemeente zong,/ die werkloze, die het raam uitsprong/ en, van vier hoog, te pletter is geslagen.”

Wat De Botton over het hoofd ziet, is dat we misschien graag werken, maar er ook graag ons gemak van nemen. Pipilotti Rist begrijpt dat beter. Misschien staat er een ondernemende museumdirecteur op die het signaal dat zij afgeeft oppikt. Een museumdirecteur die bij vernieuwing niet denkt aan nieuwbouw. Iemand die de schilderijen van de muur durft te halen en ze op een lopende band zet, die zijn zalen inricht met meditatieve muziek en hoogpolig tapijt en die bezoekers leunstoel en fatboy aanbiedt.

    • Ron Rijghard