Koninginnedag 2009

Geen „terreurlink” van welke aard dan ook. Dat was gisteren vermoedelijk de belangrijkste mededeling die hoofdofficier van justitie Goossens deed na de aanslag met een auto op het koninginnedagpubliek in Apeldoorn. Maar wel een aanslag op het Koninklijk Huis, zo werd afgeleid uit wat de dader in de auto meteen na de klap zei tegen de politie. Daarmee is de gebeurtenis door de autoriteiten voorlopig gecategoriseerd als een criminele daad. De man veroorzaakte een lokaal drama, geen internationale crisis. En of het een strikt persoonlijke of politiek geïnspireerde aanslag met serieuze achtergrond is geweest, moet nog blijken.

Het is dus nog behoorlijk vroeg om de daad van een 38-jarige Nederlander van ‘autochtone afkomst’ te duiden die zeker vijf mensen doodreed en twaalf verwondde voordat hij crashte. Vannacht overleed hij. Dat de man met opzet handelde kon iedere tv-kijker wel vaststellen. En dat die opzet zich richtte op de open tourbus met de koninklijke familie, waar het voertuig op afstoof, leek ook voor de hand te liggen.

Automatisch dringt zich een vergelijking op met de laatste moordaanslag op een politicus in Nederland. Die werd gepleegd door een radicale milieuactivist, op Pim Fortuyn, met een vuurwapen. Dit leek meer een impulsieve daad met een lange aanloop. Met een lichte auto door rijen dik publiek heen een zware bus aan willen rijden, wijst op improvisatie. Wapens of explosieven zijn evenmin aangetroffen. Dat de verdachte geen bekende is van de politie, AIVD, noch psychiatrie, zoals de hoofdofficier verklaarde, biedt weinig houvast. Een eenling met waandenkbeelden lijkt daarom plausibel.

Minister Ter Horst (Binnenlandse zaken, PvdA) veronderstelde gisteravond dat de ‘onbevangenheid’ in het contact tussen koninklijke familie en het publiek mogelijk voorgoed verdwenen is. Dat kan, maar hoeft niet. Veel hangt af van de houding van de betrokkenen. Een koning achter pantserglas is naar Nederlandse verhoudingen een contradictie.

De plaatselijke overheid nam gisteren de juiste beslissing om de festiviteiten af te breken, en deze, zoals het toepasselijk werd uitgedrukt, te laten „uitdoven”. De rest van het land volgde, maar meestal op afstand en vaak halfslachtig.

Daarmee werd onwillekeurig gedemonstreerd dat Koninginnedag wellicht niet meer in die mate „mensen verbindt”, zoals de premier het na de aanslag uitdrukte. Koninginnedag is voor velen kennelijk losgezongen van de monarchie. Het is een oranje feest geworden dat reikt van carnaval via ‘Nederland’ naar pret en jezelf zijn, liefst in de zon.

In Amsterdam heeft Koninginnedag, met honderdduizenden bezoekers en commerciële podia van radiozenders, een eigen dynamiek. Vlaggen halfstok in Apeldoorn en oproepen van burgemeesters doen feestvierders, die er speciaal voor naar de hoofdstad reizen, niet automatisch besluiten om ook van de voorgenomen pret af te zien. De feesten werden ’s avonds wel ‘ingekort’. Maar de eigenlijke Koninginnedag was toen, na een drama dat zes doden kostte, allang voorbij.