'Je kan je lezers niet bedriegen'

Na de dood van haar moeder ging het gesprek met haar gewoon door. Daarom nam het nieuwe boek van Azar Nafisi destijds een andere, persoonlijkere wending. ‘Ik rekende ook af met mezelf.’

Azar Nafisi: ‘Het boek was ook een afrekening met mezelf’ Foto Pierre André Terdjman Azar Nafisi - Foto Pierre-Andre Terdjman Terdjman, Pierre André

De Iraans-Amerikaanse academica Azar Nafisi schreef in 2003 met Reading Lolita in Tehran een wereldwijde bestseller: in 32 talen vertaald, alleen al in de VS werden 1,7 miljoen exemplaren verkocht. Het was het verhaal over haar leven in de islamitische republiek Iran, aan de hand van haar leesclub met voormalige studentes. Die verzamelde ze om zich heen om subversieve boeken als Nabokovs Lolita te lezen nadat ze haar ontslag had genomen bij de universiteit van Teheran uit protest tegen het geleidelijk afknijpen van haar academische armslag door de islamitische autoriteiten.

Vorig jaar volgde Things I’ve Been Silent About (besproken in Boeken 20.03.09) dat de lacunes opvult. Nafisi beschrijft haar jeugd, vechtend tegen een dominante moeder die op haar beurt verwikkeld was in een guerrilla tegen haar vader. Het boek is tegelijk, net als Lolita in Tehran, een kleine geschiedenis van Iran, onder de sjah en later onder het islamitische bewind – toen haar moeder een rol speelde als een van de eerste vrouwelijke parlementsleden en haar vader als burgemeester van Teheran en later als gevangene van de sjah. Tot Nafisi in 1997 Iran verliet.

Het was een moeilijk boek om te schrijven, zegt ze in een vraaggesprek in Parijs ter gelegenheid van het uitkomen van de Nederlandse vertaling, Alles wat ik verzwegen heb. „Als het gaat over mensen van wie je houdt, wordt het heel pijnlijk, want ik moest de problemen onder ogen zien met mijn ouders of met mijzelf. Het was niet het boek dat ik verkoos te schrijven.”

Maar u schreef het.

„Je schrijft omdat je ergens door wordt geobsedeerd, omdat iets je niet loslaat. Ik was van plan een boek te schrijven over de subversieve rol van literatuur, een onderwerp dat me ook passioneert. Maar de dood van mijn ouders voerde me ergens anders heen. Mijn moeder stierf toen ik het dankwoord voor Lolita schreef, mijn vader stierf een jaar later. Ik moest mijn herinneringen ophalen en ik realiseerde me dat dit het verhaal was dat me bezighield.”

Ik las uw boek als een afrekening met uw moeder.

„Het was ook een afrekening met mijzelf. Mijn hele leven wilde ik dat ze van me zou houden. En tegelijkertijd verzette ik me tegen haar. Toen ze stierf voelde het als een gesprek dat nog lang niet was afgelopen, maar dat we op de een of andere manier moesten afsluiten. Door haar vorm te geven, merkte ik dat ik mijn vader en mijzelf vorm gaf.” Lachend: „En zelfs mijn land.”

Ik kreeg de indruk dat uw moeder fungeerde als metafoor voor de islamitische republiek.

„Niet zozeer een metafoor, maar een microkosmos. Mijn moeder wilde me vormen naar haar eigen beeld, en ik realiseer me nu dat dat uit liefde was. Ze was niet ayatollah Khomeiny. Maar haar liefde werd destructief. De middelen die ik vond om verzet te bieden en de wijze waarop ik me soms schikte, kwamen overeen met de manier waarop ik ayatollah Khomeiny zag.”

U schrijft dat het boek een antwoord is aan uw innerlijke censor.

„Als kind voelde ik me altijd slachtoffer van mijn moeders behandeling. Maar later vroeg ik me af: in hoeverre heb ik zelf verantwoordelijkheid gedragen voor die situatie? Er waren incidenten in mijn leven geweest waarvoor ik me schaamde. Een erg persoonlijke kwestie, en daarom ben ik blind gaan varen op mijn innerlijke censor, een veel veeleisender censor dan de censor die buiten mij lag.”

Wás u ook uw eigen censor?

„Ik denk het niet. Er staan incidenten in het boek die ik niet wilde opschrijven. Ik wilde niet dat mensen mijn boek zouden lezen en zeggen: ach, ze was een slachtoffer van kindermisbruik. Maar mijn redacteur zei: ‘Azar, je verbergt iets. Je toont alleen de zonnige kant en niet de zwarte kant.’ Ze had gelijk. Je kan je lezers niet voor de gek houden.”

Is het boek geworden zoals u het had gepland?

„Aanvankelijk was ik van plan te schrijven over het leven van drie vrouwen, te beginnen met mijn grootmoeder, en het niet zo persoonlijk te maken. En toen heeft het boek me op sleeptouw genomen. Het zei: je gaat niet hierheen, maar daarheen. En dat was anders dan ik in gedachten had.”

U had het eerder over een afrekening met uzelf. Geldt dat ook voor uw rol en die van andere linkse activisten in de revolutie? (Een revolutie vanuit de VS waar Nafisi toen studeerde; ze keerde direct na de revolutie in 1979 naar Iran terug, red.)

„Ik geloofde in vrijheid en mensenrechten, maar we waren heel ideologisch. Ik zag toen niet in dat als we van alles en nog wat wilden afschaffen, ik geen kritiek meer kon leveren op Khomeiny, want die zei hetzelfde. Dus ideologisch hebben we bijgedragen aan een atmosfeer waarin alles gepolariseerd raakte: óf goed óf slecht. Ik ben er nog steeds niet uit hoe je progressief moet zijn. Ik wil progressief zijn, maar niet ideologisch. Ik wil niet tot wat voor groep ook behoren.”

Sommige mensen associeerden u met Amerikaanse neocons wegens de vermelding van de historicus Bernard Lewis in uw dankwoord in ‘Lolita in Tehran’.

„Ik verliet Iran om me vrij te kunnen bewegen, om politiek ongebonden te zijn. Als mensen mijn boek willen kritiseren, dan kunnen ze veel dingen vinden. Maar deze critici lezen het boek niet! Ze lezen het dankwoord! Als ik in dit nieuwe boek iemand van links bedank, betekent dat dan dat ik links ben?”

Had het in het Iran van na 1979 anders kunnen lopen?

„Ik denk dat elke situatie zoals deze anders had kunnen lopen. Niet alleen de regimes, maar ook de mensen dragen verantwoordelijkheid. Daarom ben ik altijd bang voor dingen die massa-emotie worden, zelfs voor goede dingen. Je weet niet waar het heengaat. Je idealiseert altijd één persoon en demoniseert een ander. Het is duidelijk dat uiteindelijk de persoon die je idealiseert, tekortschiet. Hoe had ayatollah Khomeiny iedereen kunnen bevrijden en sociaal en economisch en cultureel ieder van ons gelukkig kunnen maken? Wij zagen het niet.”

Is democratie mogelijk in Iran? U schrijft dat het absolutisme er nooit is verdwenen.

„Er is reden voor hoop. Mensen die aan het begin van de islamitische revolutie heel radicaal waren, zijn veranderd. Er zijn mensen die de religie van binnenuit hervormen. We betalen een hoge prijs omdat we destijds blind waren, maar onze ogen gaan open. Jongeren willen deel uitmaken van de wereld, ze zijn niet dogmatisch.”

Ik hoor in Iran juist dat de jeugd gedesillusioneerd is. U schreef dat de meisjes hun lippenstift gebruiken als ‘massavernietigingswapen’, maar activisten vertelden me dat de jeugd thuis op de bank op een visum zit te wachten.

„Dat laatste is óók waar, maar één ding begrijpen mensen niet. Het patroon is niet dat de Iraanse meisjes bewust lippenstift opdoen bij wijze van politiek statement. De regering stelt zich zo extreem op dat als wij de straat op zouden gaan zoals we er nu uitzien, dat we dan pas echt een politieke verklaring zouden afleggen.

„Jonge mensen begrijpen instinctief het belang van individuele rechten. Als een meisje gewoon mooi wil zijn, dan heeft ze het recht mooi te zijn. Politiek is meer dan politieke verklaringen en sommige mensen binnen en buiten Iran begrijpen dat niet. Natuurlijk is er desillusie. Jongeren willen leven, is het zo verkeerd om dan naar Australië te willen vertrekken? Het islamitische regime heeft voor ons allemaal het persoonlijke in het politieke veranderd. In de tijd van de sjah was dat niet zo. Het is de taak van Iraanse intellectuelen om de mensen te leren begrijpen dat het recht om het leven te leiden dat je wilt, te luisteren naar de muziek die je wilt, een mensenrecht is. Zonder dat recht betekent stemrecht erg weinig.”

Heeft u ooit spijt gehad van uw vertrek uit Iran?

„Toen ik wegging uit Iran wist ik dat mijn contacten niet verbroken zouden zijn. Want ik kan praten met Iraanse mensen, waar, wanneer en hoe ik maar wil. De wereld is klein. Mijn boeken gaan naar Iran, ze worden gedownload, en er zijn blogs. Ook mijn leven is maar kort en hier in het westen kan ik schrijven en doceren.”

Onder welke omstandigheden zou u teruggaan?

„Ik denk niet dat het een metaforische verklaring is dat ik het deel van Iran waarvan ik het meest houd, bij me draag. De literatuur. De poëzie. Hafez, Ferdowsi. Wie afwezig is, is nu soms meer aanwezig, zoals mijn overleden moeder. Dus ik hoef niet in Iran te zijn om van dat land te kunnen houden, of om er soms boos op te zijn.”

Azar Nafisi: Alles wat ik verzwegen heb. Vertaald door Joost Zwart. De Bezige Bij, 384 blz. € 19,90

Lees de recensie van Alles wat ik verzwegen heb op nrcboeken.nl