Integratie van NSB-gezinnen liet veel te wensen over

Ismee Tames: Besmette jeugd. Kinderen van NSB’ers na de oorlog. Balans, 272 blz. € 17,95

Ongeveer halverwege Besmette jeugd lijkt het alsof een tijdmachine de lezer van 1945 naar het heden heeft geschoten. Historica Ismee Tames, werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), beschrijft dan ‘het probleem van de massajeugd’, waarover de ‘maatschappelijke elites’ zich in de eerste jaren na WOII grote zorgen maakten. De jeugd raakte verwilderd, veel jongeren hingen op straat. Het morele verval kwam niet alleen door ouders, school en staat die tekortschoten in de opvoeding, maar vooral door de modernisering van Nederland, stelden deskundigen vast. ‘Door industrialisatie, urbanisatie, toenemende mobiliteit, communicatie en individualisme was de wereld voor de jeugd steeds groter geworden’, schrijft Tames, alsof ze het over globalisering in de 21ste eeuw heeft.

Toch gaat het in Besmette jeugd niet om ontwortelde jonge Marokkanen of hangjongeren die af en toe een buschauffeur molesteren, maar om de kinderen van leden van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) die in WO II met de Duitse bezetter hadden gecollaboreerd. Zij waren extra bevattelijk voor ontworteling, veronderstelde men. Door hun foute ouders waren ze na de oorlog buiten de samenleving komen te staan. En ze hadden niet de Nederlandse waarden en normen meegekregen.

Tames beschrijft nauwkeurig hoe na de bevrijding eerst het Militair Gezag en later de herstelde Nederlandse staat de NSB-kinderen tot goede Nederlanders probeerden om te vormen. Eerst ging dat à l'improviste, door bevlogen maatschappelijk werksters als Marie Kamphuis die de bevoegdheid kreeg tehuizen in te richten voor NSB-kinderen. Later werden de NSB-kinderen onderworpen aan het beleid van diverse ministeries. Uitgangspunt was dat de NSB-gezinnen moesten integreren.

Mede aan de hand van de ervaringen van NSB-kinderen die vaak werden werd gepest, genegeerd en vernederd, laat Tames zien dat dat niet echt is gelukt. ‘Integratie betekende in de praktijk dus assimilatie: de milieus moesten ophouden te bestaan’. Vaak werkte dit averechts. Oud-NSB’ers voelden zich in het nauw gebracht en werden vaak rancuneus. Hun kinderen reageerden verschillend. ‘Sommigen hebben psychische schade opgelopen, maar anderen niet.’

Hoe deze groep anders had kunnen worden aangepakt, daarover laat historica Tames zich niet uit. Toch geeft ze in Besmette Jeugd wel een les voor het heden: gedwongen integratie en assimilatie van bevolkingsgroepen die op een of andere manier buiten de samenleving zijn komen te staan, werkt niet.