Grunbergs website werkt altijd

Drie nieuwe bijdragen in het debat over de literatuur en de wereld. Komen vorm en vent nu dan samen of is de commercie dan toch de enige machtsfactor?

Doel en middel van literatuur

Het is barbaars om na 9/11 geen romans meer te schrijven – zo zou je, met een variant op Adorno’s uitspraak over het schrijven van poëzie na Auschwitz, de strekking van Thomas Vaessens’ boek De revanche van de roman kunnen samenvatten. Anders dan in veel reacties tot dusverre te beluisteren viel, roept dit boek niet op tot een verkwanseling van literaire waarden, of tot het einde van de romankunst. Het wil een revitalisering daarvan, nu deze tijd die zo goed kan gebruiken.

Grote staatkundige en maatschappelijke veranderingen zijn een pedagogisch verschijnsel: ze brengen je belangstelling bij voor wat er om je heen gebeurt. Dat geldt voor 9/11, maar het geldt niet minder voor de talloze technologische vernieuwingen van de afgelopen jaren. En het is op dat punt dat Vaessens’ boek allicht nog een aanvulling behoeft. Wie als reactie op zijn boek zegt dat we behalve uit literatuur ook uit andere bronnen inzicht kunnen verkrijgen in de maatschappelijke werkelijkheid, heeft natuurlijk gelijk – maar laat de vraag open op grond waarvan er behoefte zou bestaan aan een reactie vanuit de literatuur.

Het antwoord op die vraag ligt in de afstand, het meest kenmerkende aspect van het literaire oordeel over maatschappelijke kwesties. Immers hoe gestileerder de stof, hoe persoonlijker, en dus: hoe onafhankelijker. Wij verwachten van literatuur een onafhankelijk, niet door partijbelangen bedorven oordeel. Daarom gaat het ook niet alleen om de introductie van maatschappelijke kwesties in romans, maar om een ‘technische’ vernieuwing van de literaire kunst, die zich niet langer alleen bedient van woorden op papier, maar uitgaat van het woord in zijn vrije, niet aan enig medium gebonden karakter, zijn codeerbaarheid. Die staat toe dat het woord op allerlei manieren de wereld in kan worden gestuurd: op papier, een scherm, een cd, een mp3-speler of kindle, om zo de aansluiting te vinden met een maatschappij die de laatste jaren door vergelijkbare technische vernieuwingen zo van aanzien is veranderd.

Om niet van zichzelf te vervreemden, dient literatuur haar bereik te vergroten door een bredere toepassing van haar middelen. Schrijvers doen dat ook. Wie in contact wil treden met Arnon Grunberg gaat eenvoudig naar zijn weblog en laat een reactie achter: succes verzekerd. En wie zich op Facebook als ‘vriend’ aan Gerrit Komrij aanbiedt, wordt evenmin teleurgesteld: op dit moment staat zijn teller op 402 - en dan ben je dan nog maar één virtuele handdruk verwijderd van andere grootheden als Abdelkader Benali tot Joost Zwagerman. Maar waar het om gaat is dat schrijvers nog nooit zo bereikbaar zijn geweest als nu, en dat ze die bereikbaarheid zien als een uitbreiding van hun literaire praktijk. Ze verlaten hun ivoren toren en gaan de virtuele straat op.

Natuurlijk zijn dit vrij onbenullige voorbeelden van wat in de Angelsaksische landen ‘cultural studies’ is gaan heten: deze oecumene van uiteenlopende disciplines, die niet het woord als zodanig, maar de codeerbaarheid ervan als uitgangspunt nemen voor pogingen om het contact tussen literatuur en maatschappij te herstellen. Overigens biedt die codeerbaarheid zelf geen garantie voor het herstel van dat contact. Zo staat de Vlaamse dichter, filosoof, beeldend kunstenaar en internetpionier Dirk Vekemans tot dusverre afwijzend tegenover exclusief papieren publicaties van zijn werk, waarmee hij in feite een even steile en modernistische positie inneemt als Palmen c.s. Het verschil is, dat wie op het internet publiceert, vanzelf in contact staat met zijn lezers, die zich immers in dezelfde ruimte begeven. Hij slecht de grenzen tussen literatuur en werkelijkheid niet alleen door de dingen waar hij over schrijft, maar door de manier waarop hij zijn literair instrumentarium inzet.

Rutger H. Cornets de Groot

Vorm én vent

Ik interpreteer Vaessens zo: meer engagement in de toonaangevende literatuur! Hij kiest daarmee niet voor louter realisme of pure autonomie, maar voor vorm en vent.

De discussie ‘elitair versus populair’ is deels dezelfde, deels een andere. Niet alle realistische kunst is makkelijk, niet alle vormelijke kunst is moeilijk. Interessant in dit opzicht is de ‘anti-intellectuele’ oproep van Ilja Leonard Pfeijffer in Boeken van 3 april. Hij keert zich al geruime tijd tegen de behoudende, nette poëzie en pleit voor vernieuwende, ruige poëzie. Een oproep tot poëzie waarin iets gebeurt. Tot meer bruisende werkelijkheid. Ondanks die anti-intellectuele oproep blijft hij staan voor het elitaire, kruipt hij niet op de schoot van Oprah Winfrey. Een elitaire vorm van vent. Daarnaast ook doordat hij de poëtische vormen niet loslaat en kiest voor: vorm én vent.

Hans Krabbe

In de tang van de commercie

Te weinig schrijvers zitten binnen te schrijven, te veel zijn horig aan de gulzige hongerkreten van de consumptieve mainstream. Daar ben ik het mee eens, al vind ik wel dat de schrijver daartoe min of meer wordt gedwongen. Zoals de uitgever het zich niet meer kan permitteren om op auteurs uit te zijn, en niet op eendagsvlinders, zo kan de niet-bestseller schrijver het zich niet veroorloven rustig thuis aan zijn oeuvre te werken. Wie drie slecht verkopende boeken schrijft, loopt kans gedumpt te worden. De boekenbranche zit in de tang van de commercie en niemand heeft de moed het tij te keren. Op cultureel gebied heeft de commercie het voor het zeggen.

Flip Willemsen