Gemaakt om te lummelen

De mens doet niets liever dan in een hangmat in de zon liggen, met een drankje bij de hand. Toch dient tegenwoordig noeste arbeid de hoogste bevrediging in het leven te geven. Dat gaat in tegen de menselijke natuur.

In de film 'The Big Lebowski’ drinkt The Dude (Jeff Bridges), een moderne Oblomov, een White Russian cocktail. Big Lebowski, The (1998) Pers: Jeff Bridges Dir: Joel Coen Ref: BIG113AO Photo Credit: [ Polygram/Working Title / The Kobal Collection ] Editorial use only related to cinema, television and personalities. Not for cover use, advertising or fictional works without specific prior agreement The Picture Desk

Dit artikel moest ik eigenlijk anderhalf jaar geleden al schrijven, toen de toneelversie van Oblomov in première ging, maar het kwam er steeds niet van.

De mens verlangt naar luiheid. „Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet,” zegt Jezus in zijn Bergrede. Zijn vader schiep de Hemel en de Aarde in zes dagen, en op de zevende dag ging hij lekker liggen. En die Zevende Dag duurt nog altijd voort. „God is de volmaakte staat van luiheid” stelt de schilder Vladimir Malevitsj in zijn pamflet Luiheid als levensdoel (1921), onlangs verschenen bij uitgeverij Voltaire.

De mens is geschapen naar Gods evenbeeld, en dus gemaakt om te lummelen. Net als alle andere dieren, apen, leeuwen: „Alles wat leeft, streeft naar luiheid.” Vogels kennen we bijvoorbeeld van hun bedrijvige gekwetter in de vroege morgen: „Wakker worden allemaal! Er is weer een fijne dag aangebroken!” Maar na negen uur hoor je ze nauwelijks meer. Niemand heeft het erover, maar vogels slapen bijna de hele dag. Pas tegen etenstijd, wanneer je naar huis fietst, komen ze weer in de bomen bijeen om geagiteerd hun ‘drukke dag’ door te nemen, als werklozen op een terras.

De mens doet niets liever dan in een hangmat in de zon liggen, drankje bij de hand, eventueel een niet te moeilijk boek, en een dame met een rustige stem om de voeten te masseren. Het ideaal is een eeuwige vakantie. Zoals de New Yorkse nietsnut Chris Parker zegt in de debuutfilm van Jim Jarmusch, Permanent Vacation: „I guess I’m just some kinda tourist on a permanent vacation.”

Kampioen der luiaards is Oblomov,

de titelheld van de roman van Ivan Gontsjarov uit 1857. Ilja Iljitsj Oblomov is een Russische nietsnut die de hele dag in bed ligt te mijmeren. Hij slaat hij wel eens boek open, maar de opengeslagen bladzijde ligt vervolgens maandenlang te vergelen. Een brief openmaken kan hij eindeloos voor zich uit schuiven, bang voor de inhoud, die ongetwijfeld tot handelen zal noden. Hij wil binnen blijven, hij wil niet onder de mensen zijn. Hij wil zijn passieve maar rijke gevoelsleven niet laten verstoren door de werkelijkheid.

Lanterfanteren gaat helaas niet zomaar. Een mens moet ook eten en wonen. Dus moet hij soms zijn hol uit om te werken. We werken om geld te verdienen, om ons luiertijd te kopen: „De roebel is een klein brokje luiheid.” We werken om te sparen voor de vakantie, en om van ons pensioen te kunnen genieten. Dan begint pas het echte leven, van niets doen. Christenen werken zich een leven lang te pletter, om na de dood een eeuwigheid te kunnen luieren.

Al werkende leven wij een uitgesteld leven. We werken in blije afwachting van de uren dat we weer mogen gaan liggen. Malevitsj ziet in Luiheid als levensdoel wel in dat werken en luieren niet zonder elkaar kunnen, maar hij constateert ook dat de verhouding zoek is. Het uitgestelde leven heeft het echte leven verdrongen. De verdeling van arbeid en ledigheid is verstoord geraakt.

Malevitsj krijgt bijval van de communist Paul Lafargue, de schoonzoon van Karl Marx. In Het recht op luiheid (1883), een pamflet dat ook door uitgeverij Voltaire werd uitgegeven, waarschuwt hij voor de arbeidersverdwazing: „Een merkwaardige waanzin heeft bezit genomen van de arbeidersklasse. De morbide hartstocht voor het werk, doorgedreven tot aan de uitputting van de levenskrachten.”

Inmiddels zijn we nog veel verder afgedreven. Zelfhulpfilosoof Alain de Botton beschrijft in zijn nieuwe boek Ode aan de arbeid het aangescherpte arbeidsethos. Niet alleen moeten we werken omdat dat deugdzaam is, en omdat we ervan moeten leven, we moeten er tegenwoordig ook nog vreugde aan beleven. Luieren is in dat beeld niet meer nodig, en is zelfs onwenselijk. Werken biedt immers volledige bevrediging. Zelfs de bovenbazen moeten werken. Oblomov heeft driehonderd zielen in zijn bezit zodat hij het kalm aan kan doen – lijfeigenen die voor hem moeten werken. Maar tegenwoordig werken bazen nog harder dan hun personeel. Je telt pas mee in de wereld van het grote geld als je doorlopend op pad bent en werkweken maakt van tenminste zestig uur.

Na arbeidsvreugde schrijft het

arbeidsethos nu ook voor dat we onze trots, status, eigenwaarde, zelfs onze persoonlijkheid uit ons werk moeten halen. De Botton: „Er wordt zozeer van uitgegaan dat onze beroepskeuze onze identiteit bepaalt, dat we van mensen die we ontmoeten niet in de eerste plaats willen weten waar ze vandaan komen of wie hun ouders zijn, maar vooral wat ze doen, vanuit de gedachte dat de weg naar een zinvol bestaan noodzakelijkerwijs door de poort van de bezoldigde arbeid leidt.” Wie op een feestje de vraag: „Wat doe je?” beantwoordt met: „Niets”, ligt eruit. Het gesprek stokt, we weten niets meer te vragen, en kijken de werkloze meewarig aan. Hij doet niet mee. Zonder werk heeft het leven geen zin.

Wanneer heeft luiheid haar aanzien verloren? Dat moet gebeurd zijn rond de tijd dat Gontsjarov Oblomov schreef. Voordien was werken voor de sukkels, de boerenstand, en luieren voor degenen die het gemaakt hadden, de leisure class. Dat was al zo bij de Grieken en Romeinen. Wie eelt op zijn handen had, of een kleurtje van de zon, was in het verkeerde nest geboren. Alain de Botton stelt in bovenstaand citaat vast dat we vragen naar iemands werk, niet meer naar zijn afkomst. Voordien was dat juist de enige vraag die ertoe deed. Geboorte bepaalde de identiteit.

Wie is Oblomov? Zijn beste vriend Stolz vraagt het hem. Oblomov laat zijn knecht antwoorden: „Dat is de jonker!” Voor Oblomov en zijn knecht is dit vanzelfsprekend, en het is genoeg. Natuurlijk trekt Oblomov niet zelf zijn laarzen uit. Dat zou afbreuk doen aan zijn status.

Vriend Stolz moet er smakelijk om lachen. Hij kan het niet aanzien dat Oblomov is gestopt met bewegen. Stolz is de tegenpool van Oblomov. Hij is geboren in Rusland, maar hij wordt toch ‘de Duitser’ genoemd: de hardwerkende burger vol doorzettingsvermogen, recht door zee, mondain. Hij ziet nooit om. Wij zouden hem ‘De Amerikaan’ noemen. Een selfmade man die zijn kapitaal niet van geboorte heeft gekregen, maar door te studeren en door handel te drijven. Hij is de nieuwe mens, de burger die in de negentiende eeuw de edelman voorgoed van zijn macht berooft.

Stolz leeft in de toekomst, Oblomov in het verleden. Oblomov komt onder meer in de problemen omdat hij van het platteland naar Petersburg, naar de grote stad, is verplaatst. Hij is de drager van een lange feodale traditie, belichaamd door zijn landgoed Oblomovska: „Daar ademde de hele omgeving eeuwenoude traagheid, simpelheid van zeden, stilte en onbeweeglijkheid. Geest en gemoed van Oblomov waren als kind reeds volledig van deze levenswijze doordrenkt. De bewoners van Oblomovka lieten hun ziel vredig vegeteren in hun welgevulde lichaam.”

De eerste keer dat ik Oblomov las, zat ik op de middelbare school en herkende ik me volledig in de held. De puberteit – voor studenten inmiddels opgelengd tot een jaar of achtentwintig – is de enige levensfase waarin de mens zijn Oblomov de vrije ruimte kan laten. Het stoorde me toen dat schrijver Gontsjarov zijn held vaak afvalt en de luiheid van Oblomov problematiseert. Hij trekt partij voor Stolz. Naar het einde toe verliest hij Oblomov zelfs helemaal uit het oog, en beschrijft uitgebreid hoe de opgeruimde Stolz gelukkig wordt met zijn opgeruimde vrouw in hun opgeruimde huisje. Volmaakt gelukkig, maar zonder poëzie. Wat werd ik daar oneindig somber van. Een man die gewoon hard werkt, en thuis gelukkig is met zijn vrouw. De Stolzjes leken me verschrikkelijke mensen.

Vreemd dat Gontsjarov zoveel aandacht aan ze besteed, want de meeste schrijvers hebben van nature een afkeer van doorsnee burgers. Liever beschrijven zij de buitenmaatschappelijken, zij die net niet passen. Aandacht besteden aan werk doet de doorsnee romanheld niet. Voor een ledig romanpersonage als Frits van Egters, in De avonden, begint het leven pas als hij de kantoordeur achter zich heeft dichtgetrokken. Kunstenaars zijn vaak antiburgerlijk. Ze hebben een clichématig schrikbeeld van werken. „Het grote gevaar van werken is dat men het op den duur prettig gaat vinden,” stelt de dichter C. Buddingh’ in zijn dagboek.

We zijn al zo geconditioneerd tot

werkende mens dat we van de Oblomov in ons zijn vervreemd. We eisen van onszelf dat we de hele dag nuttig zijn. En zomaar wat rondhangen lijkt nutteloos. Wat doet de gemiddelde CS-lezer als hij niets te doen heeft? Hij gaat een boek lezen of een kunstpaleis bezoeken. Volgens Malevitsj valt dit niet onder luieren, omdat je toch weer stiekem bezig bent met studeren. Dat heeft nut. Malevitsj: „Luiheid jaagt de mensen angst aan, en wie zich eraan overgeeft, wordt vervolgd; en dit gebeurt allemaal omdat niemand haar als waarheid begrepen heeft, en iedereen haar heeft gebrandmerkt als ‘moeder aller ondeugden’, terwijl zij de moeder van het leven is.”

Lafargue roept op tot opstand: „Het proletariaat moet terugkeren naar zijn natuurlijke instincten, het moet de rechten van de luiheid uitroepen, die duizenden malen edeler zijn dan de teringachtige rechten van de mens. Het moet zich ertoe dwingen niet meer dan drie uur per dag te werken en de rest van de dag en nacht te luieren en de bloemetjes buiten te zetten.” Tijdens de grote crisis van de jaren dertig onderschreef de econoom Keynes dit idee. Ook hij vond dat we nog maar vijftien uur per week moesten werken, en verder weer moesten leren om te ontspannen, en ons over te geven aan kunst, sport en spel: „For we have been trained too long to strive and not to enjoy.”

Gelukkig is er een nieuwe

beschermheilige der loungers opgestaan, om de westerse werkverslaving een halt toe te roepen. In 1998 schiepen de broers Coen een waardige opvolger van Oblomov: Jeff Lebowski, zichzelf noemende The Dude. In de komedie The Big Lebowski wordt hij geïntroduceerd als: „Zeer waarschijnlijk de meest luie mens van Los Angeles County, waarmee hij zich meteen hoog kwalificeert als luiste mens op Aarde.”

In de eerste scène zien we de Californische luiaard in bruine ochtendjas en korte pyjamabroek door een supermarkt sjokken. Lang haar, flinke sik, zonnebril. Hij opent een pak halfvolle melk, ruikt eraan, en rekent hem af aan de kassa met een cheque van 69 cent. The Dude is een marihuana rokende, werkschuwe hippie die in de jaren zestig is blijven hangen. In zijn studietijd heeft hij een anti-arbeidsethos opgelopen dat volmaakt bij zijn karakter past. Hij heeft vrouw noch kinderen, hecht niet aan kleding of ander aards bezit (behalve aan zijn tapijt), en brengt zijn dagen door met bowlen en het drinken van White Russians – wodka met Kahlúa koffielikeur en die halfvolle melk (room zal hem te duur zijn). Hij loopt er altijd bij alsof hij net uit zijn bed is gerold. Hij hangt wat rond, en ligt het liefst op zijn tapijt of in bad, omringd door kaarsen, en rookt zijn joints.

Dat dit beeld van ledigheid blijft hangen, is eigenlijk vreemd, want in de film zie je hem slechts twee keer heel even liggen luieren. Verder is The Dude druk bezig met een ingewikkelde ontvoeringszaak. Hij ligt wel veel op de vloer, maar dat is omdat hij steeds klappen krijgt. Dat gedoe overkomt hem allemaal. Liever wordt hij met rust gelaten.

Oblomov en Lebowski verzetten zich hevig tegen de anderen, die doorlopend aan hen trekken. Ze worden steeds weer gestoord in hun levensslaap. The Dude is als luiheidsideaal een verbeterde versie van Oblomov, want zijn aard wordt niet geproblematiseerd.

Het wassende leger Lebowski-fans bewondert in The Dude zijn consequent tegendraadse houding, zijn weigering om zich te onderwerpen aan de dwingende wetten van werk, schoonheid en succes. Niet voor niets wordt hij in de film warm aanbevolen door een cowboy, dat archetypische Amerikaanse beeld van de non-conformist. De aanhangers herkennen in The Dude de afkeer van inspanning, van altijd maar op je tenen te moeten lopen. Ze houden van zijn trage, werkschuwe vadsigheid. Zijn meest bewonderenswaardige eigenschap is dat hij gelaten allerlei beproevingen ondergaat, hij laat het van zich afglijden. Hij is een ware stoïcijn, een verlichte zenboeddhist. Niets kan zijn volmaakt rustige kern schokken.

    • Wilfred Takken