Folteren voor verkiezingswinst

Relevante feiten over martelingen door de CIA lagen al in 2004 op tafel. Nu pas veroorzaken ze een schandaal. Waarom? En hoe moet Obama met de nasleep omgaan?

Een demonstratie van ‘waterboarding’ tijdens een protestactie vorige maand in New York AP/Mary Altaffer Mike Morice, center, and other members of World Can't Wait group perform a live waterboarding demonstration outside the Spanish Consulate in Manhattan to urge prosecution in Spain of the alleged involvement of Bush administration officials in the torture of terror suspects, Thursday, April 23, 2009 in New York. (AP Photo/Mary Altaffer) Associated Press

Jane Mayer: The Dark Side. The Inside Story of How the War on Terror Turned into a War on American Ideals. Doubleday, 392 blz. € 25,-

Mark Danner: U.S. Torture. Voices from the Black Sites, New York Review of Books 9 april 2009; en The Red Cross Torture Report: What it Means New York Review of Books, 30/4/ 2009.

Het interessantste aspect van de martelmemo’s die ruim twee weken geleden door president Obama werden gepubliceerd is dat ze weinig nieuws bevatten en toch een schandaal veroorzaakten. Het was natuurlijk schokkend te lezen dat Khalid Sheik Mohammed 183 keer werd onderworpen aan waterboarding, de techniek waarbij verdrinking wordt gesimuleerd, en Abu Zubaydah 83 keer. De rups in de kooi van Zubaydah, die naar verluidt lijdt aan insectenfobie, voegde een element van farce toe aan een loodzwaar relaas. Maar dat beide Al-Qaeda-leden werden gemarteld, inclusief waterboarding, was al enkele jaren bekend.

Volgens Mark Danner, hoogleraar aan de universiteit van Berkeley en Bard College die het marteldossier als geen ander beheerst, lagen de relevante feiten al in de zomer van 2004 op tafel. Sindsdien zijn acht rapporten over Amerikaans martelen verschenen, waarvan hij het recentste in twee essays in de New York Review of Books bespreekt. Ze veroorzaakten geen ophef: als het om folteren ging waren de meeste Republikeinen en Democraten jarenlang bedreven in het wegkijken, een van de weinige onderwerpen waarover consensus bestond.

Alleen hun motieven verschilden. De Republikeinen, aldus Danner afgelopen zondag in de Washington Post, steunden de regering zo lang het fel realistische woord martelen maar niet viel. George Bush schoot ze daarbij te hulp met de Orwelliaanse uitdrukkingen ‘robuuste’ of ‘uitgebreide’ verhoren. De Democraten hadden een groter probleem. Ze waren tegen martelen, maar wisten dat het electorale zelfmoord was die bezwaren te uiten. Het was geen optie om de verkiezingen in te gaan als de partij die de rechten van Khalid sheik Mohammed, de architect van 9/11, verdedigde. Niemand had er daarom belang bij het onderwerp aan te roeren.

Dat Amerikaans martelen nu toch tot politieke opwinding heeft geleid is het gevolg van de machtswisseling. Op de valreep van zijn eerste 100 dienstdagen durfde Obama het aan om de memo’s te publiceren, gesteund door een Democratische meerderheid in het Congres. Misschien had hij ook geen andere keuze: hij was er binnenkort wellicht toch toe gedwongen door een rechtszaak van de ACLU, de American Civil Liberties Union.

Maar de reactie zal hem hebben verrast. Mensenrechtenorganisaties, progressieve Democraten, een enkele dissidente Republikein en journalisten hadden jarenlang op dit moment gewacht. Ineens behoorde een afrekening met het eigen terreurverleden alsnog tot de mogelijkheden. Nu eist half politiek Washington een onderzoek of een enquête, parlementair of buitenparlementair, onpartijdig, bovenpartijdig of onafhankelijk. Obama werkt maar half mee. Eerst zei hij dat hij liever naar de toekomst kijkt dan naar het verleden. Vervolgens was zijn argument dat een energieverslindend onderzoek de vaart uit de economische crisisbestrijding haalt. Ten slotte werd hij gedwongen zijn tegenstand op te geven; een onderzoek is goed, zo lang hij er maar niet bij betrokken raakt.

Wat heeft Obama te verliezen? Daarvoor moeten we bij Dick Cheney zijn. Als vicepresident was Cheney geobsedeerd door het uitwissen van sporen, maar onlangs wekte hij verbazing met een verzoek tot openbaarmaking van twee geheime CIA-rapporten. Cheney, die aan zijn memoires werkt en voor zijn reputatie vecht, heeft de documenten hard nodig. Ze moeten het bewijs leveren van zijn gelijk en vormen het fundament van wat hij en oud-president Bush zien als hun grootste succes: ze hielden het land ruim zeven jaar veilig. Uit de rapporten moet blijken dat de omstreden verhoormethoden effect sorteerden. Nieuwe aanslagen werden verhinderd, andere terroristen opgepakt. Anders gezegd: martelen werkte.

Volgens Danner praten de twee politieke partijen in het marteldebat dat nu is opgelaaid langs elkaar heen. De oude garde, onder leiding van Cheney, verdedigt zich met argumenten van nationale veiligheid. De nieuwe machthebbers, onder leiding van Obama en diens minister van Justitie Eric Holder, zoeken omfloerst de aanval met een beroep op ‘Amerikaanse waarden’, op het verlies aan prestige in het buitenland en de mogelijke radicalisering van moslims.

Onwettigheid

Danner laat er geen misverstand over bestaan dat hij aan de kant van Obama staat, maar over zijn positie maakt hij zich weinig illusies: ‘Het is een betreurenswaardig maar onmiskenbaar feit dat de onwettigheid van martelen, of de schade die het de reputatie van het land toebrengt, niet volstaat om de instemming ermee door veel Amerikanen te ontmoedigen.’ Met andere woorden: Cheney mag dan persoonlijk impopulair zijn, zijn verhaal over het waarborgen van veiligheid vindt vooralsnog weerklank bij een aanzienlijk deel van de bevolking.

Een populair verhaal dus, maar klopt het ook? Voor het antwoord moeten we bij journaliste Jane Mayer zijn. In haar The Dark Side over de keerzijde van de oorlog tegen de terreur, dat bij publicatie vorig jaar werd onthaald als een standaardwerk, beschreef zij de context waarin de martelmemo’s werden gepubliceerd.

Hoofdrolspeler in de memo’s is Abu Zubaydah, in maart 2002 het eerste Al-Qaeda-kopstuk dat werd aangehouden. Zijn arrestatie leidde tot koortsachtig overleg in Washington. De CIA stond te popelen om hem te onderwerpen aan stress techniques, maar wilde daarvoor dekking van het Witte Huis. Onder leiding van David Addington, stafchef van Cheney, kwam daarvoor de zogeheten Oorlogsraad bijeen, bestaande uit juristen van de ministeries van Justitie en Defensie. Medewerkers van Justitie publiceerden daarop in augustus 2002 het eerste van vier memo’s op basis waarvan de CIA met Zubaydah aan de slag ging.

In de tussentijd was deze echter al uitgebreid verhoord door twee agenten van de FBI, zoals tevens door Mayer wordt beschreven. Na zijn aanhouding in Pakistan werd Zubaydah naar een zogeheten black site gevlogen, een geheime gevangenis in Thailand. Daar werd hij eerst op conventionele wijze ondervraagd door Ali Soufan, een in Libanon geboren Amerikaanse, en haar collega Steve Goudin. Beiden golden als experts: ze zaten al voor de terreuraanslagen van september 2001 op het spoor van Al-Qaeda.

Na de publicatie van het eerste martelmemo in augustus 2002 (waarschijnlijk zelfs al iets eerder) werden deze FBI-agenten afgelost door collega’s van de CIA. Of beter: door James Mitchell, een voormalige legerpsycholoog die als huurling door de geheime dienst werd ingeschakeld. Mitchell sprak geen Arabisch. Hij wist niets van het Midden-Oosten of Al-Qaeda. Maar hij was een specialist in wrede verhoormethodes. Zubaydah werd door hem onder handen genomen ‘als een hond in een kooi’. Mitchell was een man naar Cheney’s hart: bedreven in het ‘zware, gemene, vieze, smerige werk’ in de frontlinie van de oorlog tegen de terreur. Volgens de martelmemo’s boekte hij resultaat: Zubaydah sloeg door.

Maar juist dat werd vorige week weersproken door FBI-agente Soufan. In een opmerkelijk opiniestuk in de New York Times beschreef zij haar rol bij het verhoor van Zubaydah. Deze praatte volgens haar honderduit toen hij aan haar conventionele techniek werd onderworpen. Zo werd belangrijke informatie over Khalid Sheik Mohammed verkregen. De methode van de huurlingen (ze noemt Mitchell niet bij naam) was volgens Soufan juist contraproductief: Zubaydah liet niets meer los. De in Thailand aanwezige CIA-agenten zouden haar mening hebben gedeeld, maar zij kregen van hogerhand de opdracht met de huurlingen mee te werken.

Niet effectief

Waarom is het relaas van Mayer en Soufan zo belangrijk? Omdat het ‘de mystiek van het martelen’ (Mark Danner) doorprikt. Als je Soufan mag geloven waren de wrede verhoormethoden juist niet effectief.

Als ervaringsdeskundige vecht ze daarnaast nog twee conclusies uit de martelmemo’s aan: Zubaydah was niet degene die de CIA op het spoor bracht van Al-Qaeda-lid Ramzi bin al-Shibh of van dirty bomber José Padilla.

Haar getuigenis is niet meer dan een begin. Maar wanneer collega’s van Soufan, alsmede soldaten en reservisten die bij het detentiebeleid waren betrokken haar versie bevestigen, kan over het marteldossier een ander verhaal worden verteld. De kern daarvan is dat het oorzakelijke verband tussen martelen en de veiligheid van Amerika wordt verbroken.

Over een ding laat Danner geen misverstand bestaan: bij de discussie over kosten en baten van folteren staat veel op het spel. Om te beginnen de rule of law. Het rechtsstelsel werd terzijde geschoven om mannen als Mitchell hun werk te kunnen laten doen. In de ogen van Cheney was dat een klein offer: er moest een oorlog worden gewonnen tegen een meedogenloze vijand. Geen tijd voor juridisch geschoolde haarklovers, maar voor onverschrokken patriotten. Respect voor de grondwet kwam later wel weer.

En Obama? Ook hij moet zich zorgen maken. Na een eventuele nieuwe terreuraanslagaanslag op Amerikaans bodem zal hij op zijn minst moeten uitleggen waarom hij de gevangenis op Guantánamo Bay op termijn wil sluiten, waarom hij een einde heeft gemaakt aan het bestaan van de black sites en waarom hij de wrede verhoormethoden heeft teruggedraaid. Verwijten van landverraad liggen dan op de loer.

Overdreven? De favoriete uitdrukking in de coterie van Cheney na de aanslagen van 9/11was dat ‘de handschoenen uit moeten’. Vertaling: de president moest de vrije hand krijgen bij de uitvoering van de oorlog tegen de terreur.

Obama heeft de handschoenen weer stevig aangebonden. Conservatieve Republikeinen zeggen: hij heeft het land weer kwetsbaar gemaakt. En als Amerikanen ergens een hekel aan hebben, is het aan kwetsbaarheid.

    • Menno de Galan