Een slonzige tovenaar is een dode tovenaar

Een schrander kind vertel je geen zotte sprookjes, vond Betje Wolff. Kinderen zelf weten wel beter, en Maria Tatar ook, zo blijkt uit haar nieuwe boek over de betoverende werking van klassiekers als Peter Pan en Harry Potter. Trouwens, onderschat ‘onze’ Paul Biegel niet.

Illustraties van Charlotte Dematons uit ‘Nachtverhaal’ van Paul Biegel elfje kabouter Dematons, Charlotte

Paul Biegel: Nachtverhaal . Met illustraties van Charlotte Dematons. Lemniscaat, 159 blz. € 14,95

Maria Tatar: Enchanted Hunters. The power of stories in childhood. W.W. Norton & Company, geïll. 320 blz. € 26,25

‘Alle boeken zijn in twee klassen te verdelen’, schreef de Britse kunstcriticus John Ruskin in 1865; ‘boeken voor nu en boeken voor altijd’. De boeken van meester-verteller Paul Biegel (1925-2006), behoren ontegenzeggelijk tot de laatste groep, hoewel hij daar zelf aan twijfelde: ‘Op een goed moment’, zei hij in 1991 tegen Sonja Barend, ‘ben ik ineens ouderwets geworden. Dan zeggen de mensen: oh, die Biegel, nee, gooi maar weg’.

‘Een ouderwets sprookjesschrijver’, noemde Biegel zichzelf. Maar de man die zijn hele leven met veel plezier de juiste woorden op de goede manier achter elkaar zette, vergat dat ouderwets en sprookjes niet samen gaan. Sprookjes en in het verlengde daarvan de grote verhalen vol tovenarij die tegenwoordig onder de noemer fantasy vallen, zijn bij uitstek vertellingen waar het predicaat ‘voor altijd’ op van toepassing is: Ze leunen op de orale verteltraditie en verhalen over zoekende zielen die worden voortgedreven door archetypische motieven en daarbij de grenzen van tijd en ruimte overschrijden. Ze weerspiegelen hartstochten, vreugdegevoelens, duistere dromen en existentiële angsten: ‘Psychic stuff’ volgens de grote Amerikaanse (fantasy-)auteur Ursula K. Le Guin (1929).

Fantasy, legt Le Guin uit in een essay over Jorge Luis Borges, berust op ‘onveranderlijke menselijke waarden en toont situaties en beelden die we herkennen zonder dat we iets hoeven te weten over hedendaags New York, Victoriaans Londen, of China 3.000 jaar geleden’. Dit in tegenstelling tot cultuurspecifieke, realistische fictie die volgens haar ‘slechts’ een reproductie van de actuele werkelijkheid is. Le Guin, als schrijver én lezer, wil geen imitatie, maar inventie. Zij wil ‘mental representations of things not actually present’. Zij wil ‘draken aan de horizon’, zodat we ons een beeld kunnen vormen van de wereld waarin we leven en van de weg die we moeten gaan; wat we moeten vieren en wat we moeten vrezen.

Of Biegel bekend was met Le Guins bespiegelingen is de vraag. Dan had hij zich waarschijnlijk minder alleen gevoeld in wat hij het ‘reservaat van de fantasieschrijver’ noemde. Zijn gedachten over zijn schrijverschap, zoals in interviews weergegeven en terug te vinden in zijn verbeelde sprookjeswerelden en fantasieverhalen als Het Sleutelkruid (1964), De Tuinen van Dorr (1969) en Nachtverhaal (1992) – alle drie in de vorm van een raamvertelling –, zijn verwant aan die van Le Guin.

Ook Biegel was ervan overtuigd dat ‘de essentie van sprookjes vaak de diepste menselijke werkelijkheid is’. Een essentie die je volgens hem alleen vindt voorbij de fysieke waarneming en directe betekenis der dingen. Een essentie die je ook niet met je verstand hoeft te vatten, zolang de magie van het verhaal maar in je hoofd blijft zitten.

Biegels inspiratiebron was het leven zelf, of liever gezegd de onbegrijpelijkheid daarvan. Steeds weer stuurt Biegel zijn hoofdpersonen op ontdekkingstocht, op zoek naar het einde en begin van de wereld, op zoek naar antwoorden op de grote levensvragen, het wezen van wat Biegel in Het Sleutelkruid ‘Het Grote Ruisen’ noemt, onder het motto: ‘wie zoekt vindt, maar niet altijd wat hij zoekt’ (De Tuinen van Dorr).

Verhalen waren voor Biegel een levensvoorwaarde, zoals het hart van de oude koning Mansolein uit Het Sleutelkruid alleen bleef kloppen als hem elke dag ‘een spannend avontuur’ werd verteld: ‘Zo’n verhaal waarbij je iets moet wegslikken na afloop, iets droevigs waarover men het liefst zou gaan huilen, zo een verhaal met een brokje’. Veel van Biegels verhalen hebben ‘een brokje’. In De Tuinen van Dorr wemelt het ervan: Droeve verhalen die prinses Mijnewel helpen zoeken naar wat ze ooit heeft achtergelaten: haar liefde, haar levenslicht, haar levenslust.

In Nachtverhaal is het de bij nacht en ontij aangewaaide, ‘verorkaande’ fee die het hart van de zorgzame huiskabouter doet zingen en zijn ziel doet huilen met haar wonderverhalen over werelden waar feeën, kobolden, tovenaars, reuzen en elfen wonen en waar zij vergeefs heeft gezocht naar een echtgenoot, nakomelingen en de Dood. Haar verdichtsels betoveren zo krachtig dat het voelt ‘alsof de kabouter zelf het wonderrijk der elfen betreedt’, waardoor hij zijn nachtelijke huisronde, zijn kaartavondjes met Pad en Rat en zelfs zijn woonpoppenhuis op de zolder van het huis van de oude grootmoeder vergeet, met alle avontuurlijke gevolgen van dien.

Nachtverhaal is zo’n typisch Biegelboek ‘voor altijd’, omdat het gaat over het geheim van onze levenscyclus: Over ‘hoe alles ophoudt en toch altijd doorgaat’, over hoe de grootmoeder uiteindelijk sterft en haar kleinzoon en zijn vriendin nieuw leven beginnen, over ‘dat je alles kan toveren behalve leven’, en over hoe ‘verhalen vol tover’ je helpen dat leven te leven.

Nachtverhaal is opgenomen in de zogenaamde Biegel Bibliotheek, die in 2007 met De grote kleine kapitein van start is gegaan. Vol symboliek was de verschijning van Nachtverhaal rondom Biegels geboortedag 25 maart, met indrukwekkende nieuwe kleurenillustraties van ‘Grimm-illustratrice’ Charlotte Dematons die, zoals Biegel ongetwijfeld had gewild, diep donkerblauwe, schitterende sterrehemels en sprankelende sprookjeswezens tekende en schilderde die de tijdloosheid van zijn Nachtverhaal benadrukken.

Maar niet iedereen die zich aan het genre waagt schrijft, zoals Biegel, ‘boeken voor altijd’. Die kunst is voorbehouden aan enkelen. Biegels leermeester Marten Toonder (1912-2005) was zo’n verhalenverteller die met eigen taal een raadselachtig, veelvormig universum smeedde. Net als Biegels generatiegenoten Tonke Dragt (1930) – van De brief voor de koning (1963) – en Jean Dulieu (1921–2006): Uit de tekeningen die Dragt indertijd bij De tuinen van Dorr maakte spreekt grote verwantschap met Biegel. En Dulieu’s Paulus en de eikelmannetjes (1965) had van Biegel kunnen zijn: Ronduit ‘Biegeliaans’ klinkt de klankrijke taal die in dit boek een echo van de herfst lijkt, met zingende volzinnen die swingen als de verwaaide, leeghoofdige eikelmannetjes, die zwiepend en zwierend de onontkoombare kringloop van de natuur duiden.

Maar wie van de nieuwe generatie schrijvers treedt in Biegels voetsporen? Sjoerd Kuyper (1952) deed een goede, maar eenmalige poging met De Rode Zwaan (1996), zijn sprookjesverhaal over het magische Houtvolk dat de hoofdpersoon ‘tover in de werkelijkheid’ leert zien. Marco Kunst (1966) bewees met Gewist (2004) en Isa’s droom (2008) middels spel met taal meerduidige fantasiewerelden te kunnen creëren. En Biegel-bewonderaar Thijs Goverde (1971) is met zijn kinderboek De wraak van de meesterdief (2006) over macht en bedrog in de stad Duim weliswaar een eind op de goede weg, maar voorlopig nog niet in fantasyland aangekomen. Dat is het: Veel meer fantasievol talent is helaas nog niet opgestaan.

Deels ligt dit aan onze volksaard. Vanaf het moment dat sprookjesbundels als Duizend en één nacht (Les Milles et une Nuit) en Perraults’ Vertellingen van Moeder de Gans in de 18de eeuw verschijnen, heerst hier achterdocht jegens de verbeeldingskracht. Critici spreken over ‘souteloose sproockjes’ van ‘auteurs die zich op leugens toeleggen’. Betje Wolff keurt het in haar Proeve over de opvoeding (1799) af een schrander kind zotte sprookjes te vertellen. Onder aanvoering van de in 1784 opgerichte ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’, een club verlichte burgers die door deugdprediking een beschavingsoffensief op het gewone volk richt, viert moralisme hoogtij en blijft de Nederlandse verbeelding lange tijd beperkt tot de Bijbel.

Toch, ondanks 19de-eeuwse roemruchte pleitbezorgers van het genre als Andersen (Denemarken), Jacob en Wilhelm Grimm (Duitsland) en Charles Dickens (Engeland), is er ook buiten Nederland geen onbeperkte stroom onvergetelijke fantasy ontstaan. Hoeveel meer werelden dan Wonderland (Lewis Carroll), The Land of Oz (Frank L. Baum), Neverland (James Barrie), Midden-Aarde (Tolkien), Aardzee (Le Guin) en De Schijfwereld (Terry Pratchett) hebben hun bestaansrecht bewezen?

Duidelijk is dat je als fantasy-auteur niet kan volstaan met zomaar hier en daar een elf of tovenaar het verhaal binnen te voeren. Behalve dat een spannend plot altijd een held nodig heeft die zoekt en er iets (of iemand) moet zijn dat hem dwarsboomt, zonder lastig te worden gevallen door overbodig opgevoerde personages, wist Biegel als geen ander dat alleen taal een verhaal kan maken. ‘Let op vorm, evenwicht en ritme. En kies elk woord zó dat de lezer per se het volgende woord wil lezen’, zei hij ooit in een interview. ‘De taal is negentig procent van waarmee ik bezig ben’.

Dat zou voor iedere auteur moeten gelden, ongeacht het genre dat hij beoefent. Maar, zoals Le Guin schrijft in haar essaybundel The wave in the mind (2004) ‘hoe zuiverder en volkomener de fantasie, des te belangrijker haar samenhang en geloofwaardigheid. De regels die in de verbeelde werelden gelden moeten zorgvuldig worden nageleefd. Alle tovenaars, schrijvers meegerekend, horen minutieus hun toverspreuken te formuleren. Ieder woord moet het goede woord zijn. Een slonzige tovenaar is een dode tovenaar’.

Hoe Biegel een tovenaar met woorden ‘kleedt’ en tot leven brengt, hoe de fee uit Nachtverhaal ‘verschimmert’ als ze ijl wordt, hoe Biegel ons met ‘zwebbelarijen’ verleidt om een nieuwe wereld binnen te gaan, past in een lange traditie die door Maria Tatar in haar nieuwe boek Enchanted Hunters inzichtelijk maakt. Het werk van Biegel zelf kent Tatar, werkzaam aan de universiteit van Harvard, waarschijnlijk niet.

In haar nieuwste boek Enchanted Hunters biedt ze een fascinerende kijk op de betoverende werking van (kinder)klassiekers als Peter Pan (Barrie), The Wizard of Oz (Baum), Harry Potter (J.K. Rowling) en His Dark Materials (Philip Pullman): Fantasieverhalen die de geest losmaken en leiden tot leesdrift, ontdekkingsdrang en verbeelding voorbij de horizon. Vooral bij kinderen, omdat zij de ideale lezers zijn. Zij bezitten nog, levend in zowel een wereld van verwondering als begrip, wat Samuel Coleridge omschreef als ‘that willing suspension of disbelief for the moment, which constitutes poetic faith’.

Natuurlijk willen kinderen niets liever dan weglopen met de protagonist, die als rebel, boef of sprookjesfiguur garant staat voor verandering, avontuur en gevaar. Niet omdat ze sensatiebelust zijn, maar omdat ze op een veilige manier hun nieuwsgierigheid willen bevredigen. ‘Veilige Angst’, noemde Biegel dat principe.

Coleridge’s ‘suspension of disbelief’ luistert echter nauw. Het gaat om het treffen van die paar juiste woorden, het vinden van die enkele zin die de lezer bezwaarloos mee ‘op reis’ neemt. Astrid Lindgren doet dat bijvoorbeeld in haar De Gebroeders Leeuwenhart, waarin Karel Leeuwenhart ons ongelovigen eenvoudig bekeert door te vertellen dat wat hij heeft meegemaakt in het (doden)rijk Nangijala bijna een sprookje is, maar toch allemaal waar en dat behalve zijn broer en hijzelf er vast niemand anders is die dat weet. Maar ook Barrie doet geloven. Want heb je een keus als Peter Pan je smeekt in Tinkerbell te geloven, omdat alleen oprecht geloof in haar feeënbestaan haar dood kan voorkomen?

Zou Biegel Peter Pans hartenkreet hebben gehoord? In Nachtverhaal geeft hij in ieder geval gehoor aan Pans smeekbede: Sprookjes zijn voor eeuwig en dus ‘zullen feeën eeuwig bestaan, zonder ooit rust, zonder ooit hoop op rust’. Meer is niet nodig om Biegels Rijk der Feeën binnen te treden.

Wanneer ze hun lezer eenmaal bij de hand hebben, signaleert Tatar, laten de grote auteurs ze niet meer los. Met levendige dialogen, nieuwe vergezichten en enkele scheuten verontrustende ‘horror’ verleiden ze je tot een langdurig verblijf in een wereld die is geschreven vanuit een encyclopedische alomvattendheid, zonder je verbeelding in te perken. Daarbij word je meegesleurd door de oerkrachten die ons sinds mensenheugenis doen verwonderen over de strijd tussen licht en duisternis en die ons immer doen geloven dat de wind kan fluisteren en de zon kan verblinden en dat er altijd een uitweg is. Maar, nooit mag de schrijver vervallen in clichés – helaas een euvel waar het genre ernstig onder lijdt – en altijd zal hij, zoals Tolkien dat noemt, ‘the double power of language’ feilloos moeten aanvoelen, ‘its capacity to refer to the things of this world but also to create magical other worlds’.

Biegel kon dat. Wanneer Nachtverhaal-tovenaar Zbir verlangt dat de fee uit zijn woning vertrekt roept hij ‘weg’ en verschijnt een kronkelende weg die de fee ‘op zijn hoge kattenrug door het raam naar buiten golft’. ‘Magic happens when the wand (het toverstokje) of language strikes a word and makes it change’, aldus Tatar. In Nachtverhaal zwaait Biegel onophoudelijk met dat toverstokje. Hij laat het oude huis ‘steunen en kraken’ alsof ‘een reus de boel heen en weer staat te schudden’, (‘alsof’ wordt natuurlijk bewaarheid). Hij laat het tochten door kieren en spleten en door de ramen van het poppenhuis, zó verschrikkelijk dat de wind een kaars uitblaast, zodat hij in het pikkedonker voor de huiskabouter ‘een zwak schijnsel’ kan ‘toveren’.

Biegel speelt een suggestief spel met ‘echt’ en ‘niet-echt’, geloof en ongeloof, fantasie en werkelijkheid. Geluiden in de vertelsels van de fee weerklinken ook in het kaderverhaal, waardoor verwarring ontstaat. De kleinzoon van de grootmoeder vertelt aan zijn vriendin over zijn kindergeloof in kabouters, terwijl de lezer inmiddels weet dat daar niets kinderlijks aan was. En de fee die ‘schimmig is en zonder houvast en rechts en links als een spiegel verwisselt’, wordt ‘echt’ wanneer ze inziet dat haar bruiloftsfeest in het Rijk der Tovenaars ‘onecht’ was, want getoverd.

Biegel kon toveren met taal en betoveren door taal. Zijn ‘zinsels’ en klankwoorden maken zijn verhalen hoorbaar, voelbaar en zichtbaar. Alleen bij Biegel rukt een leger van ‘kriepers en kruipers’ op en ‘verschoffelt en verknoerpt’ een getrouwde vrouw ‘tot een prikdistel’. Alleen bij Biegel galmt het en trippelt en tittert het en lopen muizen krsjt, krstj achter de tengel.

Lees Nachtverhaal – hardop – en het voelt alsof je danst: Een dans met woorden, waarbij de zinnen het ritme en tempo bepalen. Een dans waarbij Biegel leidt zonder een misstap te maken of te duwen, zodat je hem moeiteloos volgt en je zo laat bedwelmen dat je als vanzelf verandert in een van Maria Tatars ‘enchanted hunters’: Voor altijd, met het wonder van het verhaal in je hoofd.