Een ontsnappingsroute uit de oorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten de voetbalstadions vol in Nederland. Op de expositie Seizoen ’40-’45 wordt een verklaring gegeven voor dit bizarre fenomeen.

Voetbalsupporters op het Stadionplein in Amsterdam, mei 1944. Foto Verzetsmuseum

Het is de blik in zijn ogen die het eerst opvalt: afwachtend en een tikkeltje bevreesd. Zijn ene hand ligt netjes op een lessenaar. Zijn andere houdt een potlood vast. Achter die lessenaar moet hij zijn brieven hebben geschreven – in hanepoten.

De brief en de foto van Joop Levi zijn te zien in het Verzetsmuseum in Amsterdam als onderdeel van de tentoonstelling Seizoen ’40-’45. Voetbal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Joop was een jonge voetbalfan die vanuit doorgangskamp Westerbork bij zijn oom informeerde naar de prestaties van Haagse clubs. Op 13 juli 1943 werd hij met zijn ouders naar Sobibor gedeporteerd en vermoord.

Joop was niet de enige die zich in de oorlog met voetbal bezighield. „Vaders gingen naar hun werk, moeders deden het huishouden, kinderen gingen naar school. En in het weekeinde trok Nederland massaal naar de voetbalstadions”, zei staatssecretaris Jet Bussemaker (Sport) begin deze week bij de opening van de tentoonstelling. Terwijl vele duizenden Nederlanders naar kampen werden afgevoerd, ging de competitie ‘gewoon’ door.

Tussen 1940 en 1945 sloten tienduizenden zich bij voetbalverenigingen aan. De stadions puilden uit – alle luchtalarmen en razzia’s ten spijt. In augustus 1940 werd Feyenoord kampioen, het jaar erop Heracles. De Volewijckers maakten zelfs een bloeiperiode door en stootten in 1944 ADO van de troon. „Van de oorlog heb ik weinig meegekregen”, erkende oud-voetballer Jan Soeurt van De Volewijckers bij de opening.

Dat steeds meer clubs hun joodse spelers kwijtraakten – HEDW en De Ooievaars moesten zich om die reden zelfs terugtrekken uit de competitie – werd lang niet altijd als een probleem ervaren. Van georganiseerd verzet in de sportwereld was geen sprake. „In die tijd vluchtte je als het ware in de sport”, hoort de bezoeker Jaap van der Leck, voormalig trainer van De Volewijckers, op de tentoonstelling zeggen. „Eigenlijk stak je je kop in het zand.”

De anti-joodse maatregelen in de Nederlandse sport volgden elkaar in rap tempo op. Zo werd op 30 augustus 1941 door de bezetter bepaald dat joodse scheidsrechters geen wedstrijden meer mochten fluiten. Twee weken later werden supporters van joodse komaf geweerd bij sportgelegenheden. En op 1 november 1941 werden joodse leden uit de registers van sportverenigingen geschrapt. Leo Horn kan zich een brief van de Nederlandse Voetbalbond (NVB) herinneren waarin hij als joodse scheidsrechter wordt bedankt voor de bewezen diensten. De brief was volgens de inmiddels overleden arbiter ondertekend door Karel Lotsy, de voormalig NVB-voorzitter die in de recent verschenen biografie De Dordtse magiër juist wordt vrijgepleit van collaboratie en antisemitisme.

Met name ADO, dat tot ver na de oorlog voor ‘Hitlerelftal’ werd uitgemaakt, had een slechte reputatie. Speler Gerrit Vreken reisde in zwarte laarzen en uniform naar uitwedstrijden. Na de bevrijding verklaarde hij dat hij NSB-lid was geworden omdat hij jong was, niets van politiek wist en bij ADO wilde blijven voetballen. ‘Ik zat in moeilijkheden, wat moest ik doen? Voor mij was en bleef het een ontsnappingsroute.’

De tentoonstelling, die vooral onder scholieren veel belangstelling geniet, is verdeeld in verschillende thema’s: van jodenvervolging, collaboratie en verzet tot hongerwinter en arbeidsinzet. Bezoekers schuifelen tussen panelen door en kunnen geluidsfragmenten beluisteren. Er is veel ruimte voor de periode na de Tweede Wereldoorlog ingeruimd. ‘Zelfs als de bommen in mijn geboortestad Belgrado vielen wilde ik met mijn vader naar buiten om te trainen’, vertelt de Servische Ajacied Miralem Sulejmani. ‘Zo vergaten wij onze zorgen en kon ik werken aan de vervulling van mijn droom.’

‘Voetbal geeft mensen kansen’, is de boodschap van Seizoen ’40-’45. „Dat neemt niet weg dat sport ook misbruikt kan worden”, zei Bussemaker bij de opening. De Romeinen deden het, Hitler en ook tijdens de Spelen in Peking laaide de discussie op. Sport bevindt zich volgens de staatssecretaris niet in een politiek vacuüm. „Laten we dat vooral niet vergeten.”

‘Seizoen ’40-’45’ is t/m 11 april 2010 te zien in het Verzetsmuseum in Amsterdam.