Een irritante piep enhelaas, je staat op een mijn

Vorig jaar kwamen 122 ontwikkelingswerkers door geweld om het leven.

Een Amersfoortse stichting geeft veiligheidstrainingen.

Elke ochtend neem je dezelfde route naar kantoor in Kabul om gehandicapte Afghaanse kinderen te helpen, en weer terug. Onderweg zijn er nooit problemen, maar op een dag wordt de straat versperd door twee mannen op een motorfiets. De gespannen stilte wordt verstoord door geweerschoten van de man achterop. Je schrikt. Het is je laatste emotie, want je bent dood.

Bovenstaande overkwam de Britse ontwikkelingswerkster Gayle Williams vorig jaar omdat de Talibaan vonden dat ze het christelijke geloof opdrong én omdat ze steeds dezelfde route nam.

De wereld is gevaarlijker geworden voor niet gouvernementele organisaties (ngo’s) in conflictgebieden. Hulpverleningsorganisaties worden meer in verband gebracht met Westerse mogendheden en zijn doelwit voor rebellen, extremisten en criminelen. Veiligheid is een nieuwe branche geworden in de wereld van ontwikkelingssamenwerking.

In de bossen rond Soesterberg worden twee weekeinden per maand met roadblocks omringde mijnenvelden opgeworpen. „Om te oefenen”, zegt Ebe Brons, directeur van het Centre for Safety and Development (CSD), terwijl hij een groepje van zes cursisten observeert dat voorzichtig voortbeweegt omdat langs de weg explosieven kunnen liggen. Opeens rent een hysterische en bloedende vrouw het zestal tegemoet. „Mijn zus! Been! Been!”, krijst ze. Een paar meter verder ligt haar zus – linkerbeen weggeblazen – in een veldje.

Twee vrouwelijke hulpverleners aarzelen geen moment en lopen naar de gewonde om hulp te bieden. Plotseling klinkt een irritante piep. „Jullie zijn dood”, zegt een trainer. „Dood?”, vragen de dames verwonderd. „Tja, als je zonder na te denken een mijnenveld inloopt gebeurt dat.”

De Nederlandse stichting CSD is één van de weinige organisaties in de wereld die ngo’s trainen om veilig in conflictgebieden te werken. „Er zijn ook semi-militaire organisaties die dit soort trainingen geven. Maar ontwikkelingswerkers leven over het algemeen op gespannen voet met militairen”, zegt Brons.

Toen hij vijf jaar geleden met het CSD begon, werd Brons „nog net niet weggelachen” door ontwikkelingswerkers. Nu zijn de commentaren vaak positief, zegt hij. Joanna Thijs van de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking ICCO moet geregeld naar landen als Kazachstan, Kirgizië en Ingoesjetië en heeft veel gehad aan CSD, zegt ze. „Iedereen heeft iets in zijn persoonlijkheid dat grenswachten in de landen waar ik kom zodanig kan irriteren dat je daardoor zwaar in de problemen kunt komen. De trainers maken je bewust van dat onderdeel van je persoonlijkheid zodat het je later niet opbreekt.”

Tineke Ceelen, jarenlang directeur van de Stichting Vluchteling, wil wel benadrukken dat een driedaagse training niet kan garanderen dat je de problemen van ver ziet aankomen. Zelfs de meest ervaren mensen worden verrast.

Ceelen werd zelf met een collega en vier journalisten in Soedan gearresteerd op verdenking van spionage. „Onderdeel van het ‘bewijspakket’ waren foto’s van een begraafplaats en een fles met zand uit de Soedanese woestijn, meegenomen voor het zoontje van mijn collega die een spreekbeurt hield over woestijnen” zegt Ceelen. „Voor de onbenulligste dingen kunnen ze je pakken.”