Draait de wereld om u of om mij?

Zowel Herman Brusselmans als F. Starik schreef een boek over personen zonder doel. Toch fascineren beiden, al is het om verschillende redenen.

Herman Brusselmans en F. Starik Tekening Peter van Dongen Dongen, Peter van

Herman Brusselmans: Mijn haar is lang. Prometheus, 181 blz. € 17,95

F. Starik: De gastspeler. Nieuw Amsterdam, 256 blz. € 17,50

Sinds Herman Brusselmans in het magistrale De man die werk vond (1985) liet zien met hoe weinig plot een getalenteerd auteur een memorabele roman kan schrijven, zijn er zeker vijftig Nederlandse romans verschenen waarin de hoofdpersonen niet veel meer doen dan rondsjokken in de buurt van hun huis en zo nu en dan een praatje aanknopen. Het had een trend kunnen zijn, als Brusselmans die boeken niet allemaal zelf had geschreven.

Toch is er dan nu een boek dat niet door Brusselmans (1957) is geschreven, maar waarin de hoofdpersoon toch niet veel meer doet dan rondslenteren in de directe omgeving van zijn huis en af en toe een praatje aanknopen met een buur of winkelier. De gastspeler van Brusselmans’ generatiegenoot F. Starik (1958) speelt zich af in een paar straten in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt.

Natuurlijk zijn er grote verschillen tussen de auteurs, allereerst een verschil in vertrouwdheid. Brusselmans is al jaren een schrijver over wie alles al gezegd is, al is het maar omdat hij zelf alles wat hij te zeggen heeft al een paar keer heeft herhaald. Ook voor Mijn haar is lang geldt: het boek is flauw, melig en onbedaarlijk komisch, waarbij de af en toe de kop opstekende melancholie de suggestie wekt dat er toch iets komt, een blik in de afgrond, een zetje wellicht.

De bijzonderheden zitten in de details: de dood van de ouders van de hoofdpersoon (die Herman Brusselmans heet en schrijver is) en daarmee samenhangend relatief veel jeugdherinneringen aan het veehoudersgezin waar hij in werd geboren. Passages waarbij Brusselmans zelf ook weleens vermoedt dat er méér in zit: ‘Ineens dacht ik: ik zou wel een heel boek over m’n overleden ouders willen schrijven, maar ik durf het niet.’ Dat gebrek aan durf heeft Brusselmans van zijn moeder, schrijft hij, maar al snel is hij afgeleid door zijn zoektocht naar een kapper in Gent. Verder relatief veel seks en dood in de anekdotes en een paar vechtpartijen. Als het niet zo merkwaardig klonk zou je Mijn haar is lang een hard-boiled Brusselmans noemen.

De grote vertrouwdheid die Mijn haar is lang oproept, moet je in Stariks De gastspeler missen. Dat is veel meer een boek waarbij je je in het begin afvraagt waarom je het allemaal moet lezen: de anekdotes over de Dikke Buurman, het beschaamd voorbijlopen van de videotheek na de komst van kabel-tv, de caissières van de Dirk en de trui van de opticien, de verwikkelingen in het televisieprogramma De Gouden Kooi. Bovendien mist Starik het grote talent en de dwingende humor van Brusselmans, die je steeds weer verleidt om nog één grap langer door te lezen. Stariks humor is meer van het onderkoelde soort, met zinnen als ‘Het kind lust graag snoep en kan al best goed zeuren.’

In het eerste deel van De gastspeler zijn er momenten waarop je vermoedt dat je je vooral amuseert omdat je de erin beschreven buurt goed kent, omdat je jezelf óók wel eens hebt verbaasd over die grote betonnen paal in het postagentschap. Toch wil Starik méér doen dan een lokaal tijdsbeeld schetsen – al is het mooi dat het leven van een Amsterdamse straat literair niet langer onopgemerkt is gebleven.

Daarbij verraden de literaire verwijzingen van Starik (Rilke, Reve, Strauss) zijn ernstige bedoelingen. Dat wordt fraai duidelijk wanneer hij schrijft over een winkel in zijn buurt die zichzelf (ook in werkelijkheid trouwens) aanprijst met het bord ‘wat wij niet hebben (of kunnen bestellen) heeft u niet nodig’.

Starik geeft deze winkelier op een zeker moment het gedicht ‘Sigarenwinkel’ van Fernando Pessoa, dat begint met de onvergetelijke regels ‘Ik ben niets/ Ik zal nooit iets zijn./ Ik kan ook niet iets willen zijn./ Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.’ Inderdaad, dit gaat om de dingen die we niet hebben en niet kunnen bestellen, maar waarvan we soms toch denken dat we ze nodig hebben. De tekst op het bord krijgt metafysische proporties en wordt in één moeite door poëzie.

De gastspeler gaat over het kleine leven, over het deel dat we in voorraad hebben of kunnen bestellen. Daar gaan dan weer dromen en gedachten achter schuil, maar daar waagt Starik zich niet aan. Hij houdt vast aan een rol als observator, schrijft ergens dat hij zich meer op zijn gemak voelt als er zich een raam tussen hem en de andere mensen bevindt.

Maar juist door die consequente positie als buitenstaander – de titel verwijst naar ‘tijdelijke’ gasten in De Gouden Kooi die de gemeenschap van vaste bewoners moeten ontregelen – maakt Starik duidelijk dat het hem in De gastspeler om sociale verhoudingen, om de gemeenschap te doen is. En daarbij om de vraag hoe hecht de verbanden zijn, in welke mate hij bij de mensen in zijn omgeving hoort.

Dát is het grootste verschil met Brusselmans. Brusselmans praat met iedereen, maar uiteindelijk is het hem uitsluitend om Herman Brusselmans te doen. De anderen bestaan om hém te laten gloriëren. Het heft uit handen geven, dat durft hij niet – om in Brusselmans eigen terminologie te blijven.

Bij Starik is het omgekeerd. Hij lijkt zich nog meer schuil te houden, wil zich amper met andere mensen verbinden, maar zijn boek draait wél om die anderen, om de waarde van zijn omgeving. Dat blijkt heel sterk bij het mooie einde van de roman, waarin hij minutieus bijhoudt hoeveel internetreacties het droeve lot van één van zijn buren losmaakt. Op zoek naar het antwoord op de vraag die hij aan eigenlijk al zijn buurtgenoten stelt: hoe eenzaam ben jij?

    • Arjen Fortuin