De werkende man wordt niet begrepen

Nu de kredietcrisis leidt tot armoede en ontslagen reageren popmuzikanten zich af, naar gewoonte, in kritische liedjes. Het sociaal bewogen trio The Enemy zingt: ‘There ain’t no future in British steel.’

De video van John Richs nummer ‘Shutting Detroit Down’ is een kleine film die zich afspeelt in een autofabriek in Detroit, met Kris Kristofferson en Mickey Rourke in de hoofdrollen. 1. De baas van de autofabriek: „Big John, dit is het moeilijkste wat ik ooit heb moeten doen. Ik moet je laten gaan.” 2. Zijn collega wil erover praten met de baas die boven in zijn hok zit. 3. Iedereen neemt afscheid. 4. Big John wordt door een bewaker naar buiten geleid. „Sorry, dat is beleid”, zegt de baas (deze foto). 5. Er is niks aan te doen. De mannen zoeken troost bij een biertje. 6. In het café kijken ze naar het nieuws op tv: de directeuren gebruiken het reddingsgeld van de regering voor hun bonussen. 7. Big John krijgt een telefoontje: de deurwaarder haalt zijn huis leeg. Het wordt Big John te veel. 8. Einde. Beeld wibbinekien.nl wibbinekien.nl

Roestige treinrails, het ritme van wagons die over de bielzen ratelen, de eenzame fluittoon van de locomotief – de trein schommelt door het land, op weg naar afgelegen stations, waar vrouwen en kinderen staan te wachten op hun man en vader die in een fabriek in een verre stad het weekloon bij elkaar heeft verdiend.

Die trein heette ‘Old 97’ of ‘Dikke Bertha’. Hij was meer dan een vervoermiddel: de trein was een symbool voor verbondenheid. Van het land met de stad, van mannen met hun gezin, van nooddruftigen met financiële verlichting. Dat maakte de trein tot een van de favoriete onderwerpen van Amerikaanse folk- en countryzangers uit de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Countryheld Johnny Cash, zelf afkomstig van het arme platteland van Arkansas, zong bijvoorbeeld nummers als Locomotive Man, The L&N Don’t Stop Here Anymore en The Wreck Of Old 97, over een trein vol arbeiders die in een ravijn stort.

Het is een van de eigenschappen van popmuziek dat ze reageert op actuele gebeurtenissen. Sneller en directer dan enige andere kunstvorm verwerkt de popmuzikant persoonlijke of maatschappelijke fenomenen in een liedje: hij schrijft een tekst, zingt of rapt deze bij een gitaar, piano of andere instrumentatie; diezelfde avond speelt hij het nummer op een podium, om er de volgende dag een single van te laten persen die vervolgens zijn weg naar de radio vindt. Tegenwoordig is die route nog korter; via internet kan de muzikant zijn persoonlijke visie op een actualiteit bijna ‘real time’ aan de wereld kenbaar maken. Heter van de naald is nauwelijks denkbaar.

Rapper Chuck D (van Public Enemy) noemde hiphop ooit het ‘zwarte CNN’, omdat de gebeurtenissen uit de zwarte wijken dankzij hiphop bij een groter publiek bekend werden. Maar die functie is niet voorbehouden aan hiphop. In ieder genre zijn voorbeelden te vinden van liedjes over maatschappelijke verschijnselen. De aanleiding kan ernstig zijn, maar ook hedonistisch, zoals ooit te horen bij de Beastie Boys die zich tegen de overheid en haar regels verzetten met hun wereldwijd weerklinkende aansporing ‘Fight for your right to pááárty’.

De afgelopen jaren werd er in allerlei muzikale genres over de actualiteit gezongen en gerapt: over de gevolgen van de orkaan Katrina, onder anderen door Elvis Costello; de oorlog in Irak, door Joe Henry en Neil Young; 9/11, door Bruce Springsteen; de verkiezing van Obama, door Nas en Black Eyed Peas.

En sinds de gevolgen van de kredietcrisis

voelbaar worden, is ook de economie een onderwerp, voor zangers als Loudon Wainwright III (een Amerikaanse singer/songwriter), Wiley (een Britse rapper) en John Rich (een Amerikaanse country-and-westernzanger). Het nieuws van faillissementen en massaontslagen wordt door de muzikanten op verschillende manieren benaderd: sarcastisch door Wainwright, empathisch door Rich en praktisch door Wiley.

Wileys Money In My Pocket is een nogal wezenloze bezwering (‘All I really want is money in my pocket/ cash in my hand/ skrilla - ‘poen’ - in my wallet’), die in iedere raptekst had kunnen voorkomen. De verwijzing naar de crisis blijkt pas uit de bijbehorende clip, waarin de maatregelen van de Britse regering worden bespot.

Ook Loudon Wainwright III legt de nadruk op geld. In Times Is Hard, een dertien coupletten durend klaagdicht, inventariseert Wainwright een aantal gevolgen van de financiële achteruitgang: loze beloften van politici, mensen die huis, baan en auto kwijtraken:

‘Times is rough. Times is hard.Take a pair of scissors to your credit card. Circuit City just said, ‘So long.’ All I can do is play this song.

‘Who’s at fault? Who gets the blame? Let’s string up Bernie what’s-his-name. And ask Alan Greenspan to come along. All I can do is play this song.’

Hij heeft het allemaal keurig op rijm gezet, maar de gelaten toon en de manier waarop hij iedere strofe afsluit met ‘All I can do is play this song’, maakt het een lamlendig en afstandelijk lied. Een crisislied over mensen die alles kwijtraken vraagt om inleving.

Zanger John Rich bracht onlangs zo’n nummer uit. Rich is een countryzanger en dat is niet toevallig. Want van alle popgenres is het de country-and-western die zich het meest bekommert om het wel en wee van de gewone man.

John Rich, afkomstig uit Amarillo, Texas, schreef zijn Shutting Detroit Down in reactie op de ontslagen bij Chrysler en General Motors, en uit verontwaardiging over het nieuws dat bailout-geld van de regering door de ceo’s werd gebruikt voor bonussen.

Hij zingt:

‘Well that old man’s been working/ Hard in that plant most of his life/ And now his pension plans/ Been cut in half and/ He can’t afford to die/ And it’s a crying shame/ ‘Cause he ain’t the one to blame/ When I look down and see his/ Callused hands, well let me tell you friend/ It gets me fighting mad (..)

And while their living it up on Wall Street/ In that New York City town/ Here in the real world, they’re/ Shutting Detroit down.’

In acht strofen maakt hij de ‘struggle for life’ die op dit moment door vele duizenden Amerikanen wordt geleverd, voor iedereen invoelbaar. Rich bezingt de afstand tussen arbeiders en beleidsmakers, de kloof tussen ‘wij’ en ‘hen’. De countrycontext geeft zijn woorden een extra lading, juist omdat country van oudsher al die verhalen in zich draagt over mannen die met blote handen katoen plukken, steen hakken en een spoorlijn aanleggen.

De ondertoon is des te schrijnender: wij, die werken met onze handen, zullen door de goochelaars op Wall Street nooit begrepen worden.

Omdat John Rich zich engageert met de arbeiders, is dit een geslaagd nummer. Het is hetzelfde soort engagement dat we kennen uit nummers van Bruce Springsteen. In Springsteens oeuvre vormen liedjes over werkethos, werklust en werkerstrots een aparte categorie. Over de verkeersagent, de fabrieksarbeider, de stratenmaker, zingt hij als mannen die eigenwaarde aan hun werk ontlenen. Over zijn eigen vader ging het nummer The Factory, waarin de vader zich iedere ochtend in zijn overall hijst en met zijn lunchpakket naar de fabriek loopt. Die dagelijkse gang is afschrikwekkend en vervullend tegelijk: ‘I see my daddy walking through them factory gates in the rain/ Factory takes his hearing, factory gives him life.’

Ook Engelse muziek kent dit soort betrokkenheid. Tijdens de economische crisis van eind jaren zeventig zongen punkbands als The Jam, The Clash en The Specials over wat werkloosheid betekende. Op dit moment is het trio The Enemy, uit Coventry in opkomst, een groep die niet alleen klinkt als The Jam en The Clash, maar ook op de van hen bekende toon het leven van arbeiders bezingt.

Het is een sociaal bewogen toon,

die herinnert aan schrijver Alan Sillitoe, bekend van de roman Saturday Night and Sunday Morning (1958). Meedogenloos in zijn realisme, maar barmhartig van toon, beschreef Sillitoe de uitzichtloosheid van het arbeidersbestaan in het naoorlogse Engeland. Diezelfde blik hadden de liedjes van The Kinks in de jaren zestig en de liedjes van The Jam de jaren zeventig. Zanger Tom Clarke van The Enemy zingt nu over jonge fabrieksarbeiders die zich afbeulen door de week en zich platzuipen in het weekend; realistisch en zonder de grandeur van Springsteen.

Op de vorige week verschenen tweede cd, Music For The People, heeft Clarke het over de situatie van werkende jongeren in de Britse industrie. In Be Somebody zingt hij:

‘You know there’s no such thing as a free meal

and there ain’t no future in British steel/

No, the only thing that makes us smile/

Is a joke and a laugh and a night on the tiles.’

Het nummer Nation Of Checkout Girls heeft als refrein: ‘Depression recession/ It’s a bloody mess and that’s all’. Clarke somt de schamele ‘career opportunities’ op: ‘Als je geluk hebt, kun je vakken vullen of de telefoon opnemen’.

In interviews vertelt Clarke over de oorsprong van hun liedjes: „We zijn niet per se politiek gemotiveerd, we zijn sociaal betrokken. Onze liedjes zijn gebaseerd op ervaringen van vrienden die plotseling geen werk meer kregen in de Peugeot-fabriek. Dat heeft een politiek aspect, maar voor ons geldt de persoonlijke omstandigheid dat onze vrienden geen geld meer hebben om in de pub een ‘pint’ te kopen.”

Clarke (25) presenteert zich op de nieuwe cd als spreekbuis van zijn leeftijdsgroep: ‘Hello we’re the generation/ Who do what they’re told/ By the corporations’. Zoals hij zelf ergens zei, wordt het tijd „dat muzikanten vertellen hoe het er in Engeland werkelijk aan toe gaat.” Onder dat soort muzikanten schaart hij zijn eigen band en nieuwe namen als Mongrel, The Gallows en Reverend & The Makers. Dat deze groepen allemaal onlangs zijn opgericht en de muzikanten al jong te maken hadden met een weinig rooskleurige toekomst in het werkende leven, zal met hun onderwerpkeuze te maken hebben. Zo doet de Engelse muzikant waar hij altijd goed in was: realistisch commentaar leveren op een crisis.

Popmuzikanten zijn op hun best als ze erin slagen om krantenkoppen te bewerken tot een persoonlijke aangelegenheid. Omgevallen banken en leeglopende pensioenfondsen zijn abstracte grootheden, maar de verlaten huizen en ontslagen arbeiders, zoals in de liedjes beschreven, zijn dat niet.

In het verleden schreven muzikanten vaak over werk als iets wat je maar beter kunt mijden, zoals Patti Smith in haar razende Piss Factory en Bob Dylan met zijn Ain’t gonna work on Maggie’s farm no more.

Maar als werk schaars wordt, blijken ook zij het belang ervan in te zien; of het nu is als instrument voor eigenwaarde, om een gezin te onderhouden of om een ‘pint’ in de pub te kunnen kopen.

De Amerikaanse, alternatieve countryzanger Bonnie ‘Prince’ Billy drukt zich op zijn laatste cd nog sterker uit. Een van zijn liedjes noemde hij Without work, you have nothing. Hier brengt hij een ode aan datgene wat vaak verguisd werd: ‘Work, baby, and all good things will gather/ Work, baby, and war will be no more.’

    • Hester Carvalho