De 'tekstverwerker' van Su Shih

Hugo Claus grasduinde in bijna alles en vertaalde die teksten dan naar eigen goeddunken. Of eigen verbeelding? Hoe het ook zij, ze klinken altijd licht en soepel.

Ongedateerd schilderij van Hugo Claus Cobra Museum Cobra Museum

Hugo Claus: Dichterbij. Vertalingen en tekeningen. De Bezige Bij, 192 blz. € 19,90

Hugo Claus vertaalde een gedicht van de Chinese dichter Su Tung-P’o. Ik vertrouwde het eerst niet helemaal, zeker niet toen Claus erbij vertelde, in een begeleidend tekstje, dat deze Su Tung-P’o in de omgang ook wel Su Shih werd genoemd. Su Shih: het klinkt als een geinige fantasienaam, zoiets als Sauerkraut voor een Oostenrijkse dichter, of Paella voor een zanger uit Spanje. Maar ik heb het nagezocht en weet nu dat Su Shih wel degelijk heeft bestaan. Hij was en is een grote naam in de Chinese poëzie. Hij leefde van 1036 tot 1101 na Chr., schreef 2.700 gedichten en 800 brieven.

Mijn wantrouwen werd vergroot door het feit dat Claus twee verschillende vertalingen gaf van hetzelfde gedicht van Su Shih. De eerste zou meer in overeenstemming zijn met de standaardvertaling. Het gaat om een klassiek Chinees gegeven: een nachtmijmering, bij het balkon, met zicht op maan en mist, en op een paar mooie begonia’s. De dichter is bang dat ‘de bloemen in slaap zullen vallen’, wat mij een typisch dichterlijk vreesje lijkt. Hij houdt een kandelaar bij de bloemen om hun ‘scharlaken schoonheid’ beter te kunnen zien, en om ze wakker te houden natuurlijk.

Daarnaast staat een tweede vertaling. Hetzelfde gedicht zou ook anders gelezen kunnen worden, zei Claus, in navolging van de Amerikaanse dichter Kenneth Rexroth (1905-1982). Op zijn balkon, in de nacht, bij het licht van de maan, kijkt de dichter Su Shih niet ademloos naar een prachtige begonia, maar naar ‘het meisje dat ik gehuurd heb’. Hij ziet dat ze in slaap valt. Hij blijft, bij het licht van een kandelaar, naar haar kijken – niet naar de schoonheid van een begonia dus, maar naar de ‘geverfde schoonheid’ van deze ‘geverfde bloem’.

Hugo Claus ging graag op een vrije manier met teksten van anderen om. Hier, bij Su Shih, deed hij het nog met goedkeuring van Rexroth, maar meestal deed hij het gewoon op eigen gezag: gedichten van anderen tegen het licht houden, omdraaien, herschikken, en opnemen in zijn eigen idioom. ‘Hugo Claus is een groot tekstverwerker gebleken’ zegt Ton Naaijkens in het aan de vertaler Claus gewijde nummer van het tijdschrift Filter (september 2008). Hij citeert Paul Claes die schreef over de vrijheid die Claus zichzelf toestond: ‘Respect voor het oude is hem vreemd. Hij schrikt er niet voor terug de betekenis van een tekst radicaal te veranderen als dat in zijn kraam past.’

Dat zorgt altijd voor een naturel klinkende en soepel lopende tekst – en ook voor een zekere spanning bij de lezer. Lees ik Su Shih? Lees ik Su Shih door de ogen van Claus? Of lees ik een geil gedicht van Claus die mij wijs wil maken dat ik een duizend jaar oud gedicht van ene Su Shih voor mij heb, over een prachtige begonia? Over deze Su Shih schrijft hij in het begeleidende tekstje ook nog: ‘Zijn visie wordt bepaald door de systematische twijfel van het boeddhisme en het nihilisme van de Tao.’ Wat een rare zin. Zou het waar zijn – en zou Claus het zelf echt zo geschreven hebben? Of had hij er plezier in ter plekke zulke naslagwerkzinnen te verzinnen?

Vierenveertig van zulke teksten (vooral poëzie, maar ook wat proza, en wat mengvormen) zijn nu verzameld in Dichterbij. Steeds een inleidend tekstje van Claus, dan een tekening van Claus, dan de vertaling van Claus. Ze verschenen allemaal eerder, tussen september 1987 en september 1988, in Knack en Elsevier. De anonieme samenstellers van deze bundel zeggen in hun verantwoording: ‘Van sommige teksten is evident waar Hugo Claus ze vond, van andere niet. Hij vertaalde wat hem voor ogen kwam: uit zijn eigen bibliotheek, uit kranten, tijdschriften en festivalbrochures. We sluiten zelfs niet uit dat een enkel gedicht of schrijverschap ontstaan is uit zijn verbeelding.’

Het maakt het allemaal extra spannend, terwijl de hele opzet toch al levendig is, door al het gegrasduin her en der. ‘Soms heb je geen zin om gedichten helemaal te lezen’, schrijft Claus in een stukje. Je leest eens een fragment hier, dan daar. ‘Faire du zapping’ noemen de Fransen dat – en zo zapleest Claus via Ungaretti naar Petrarca. Of hij stuit op een ingezonden brief in Libération. Of hij leest een aanmoedigingstekst voor de Franse soldaten in WO I. Maar net zo gemakkelijk vertaalt hij iets van de Latijnse dichter Ausonius, uit de vierde eeuw na Chr. Japanse dichters, Amerikanen, Europeanen – alles door elkaar. Surrealisten en filosofen. Grote namen als Shakespeare, Keats, Rilke, maar ook volstrekt onbekende dichters. Het geheel heeft wel iets van een kladboek, met de bijbehorende charme dat het allemaal nog niet af is.

(Daarbij sluit de slordige eindredactie dan mooi aan. Van veel dichters die zijn overleden, wordt het sterfjaar niet vermeld.)

Het Nederlands van Claus klinkt altijd licht en speels. Met zijn vertalingen heeft hij naar eigen zeggen geprobeerd de poëzie bevattelijk te maken ‘voor de bakkersvrouw’ en ook voor die mensen ‘die eigenlijk liever de beursberichten lezen’. Een mooi streven, maar ik vrees dat sommige gedichten toch nog steeds te lastig of te surrealistisch of te saai zullen zijn voor de gemiddelde belegger of bakkersvrouw.

Dat zijn ze in ieder geval wél voor mij. Maar dat geldt weer niet voor de gedichten van Roethke, Orville, Ginsberg, Perros, de la Serna, Kenko, Miyoshi of Aloisius Schnedel, om maar wat hoogtepunten te noemen. De laatste was een psychiatrisch patiënt die door dokter Leo Navratil in de inrichting werd aangemoedigd te schrijven. Claus vertaalde zijn gedicht over ‘de vader’. Een wonderlijke tekst: kinderlijk, maar ook met een vreemd afstandelijke, misschien wel typisch dichterlijke blik. Grillig, en ook grappig:

De vader is het hoogste lid

van de familie. De vader zorgt voor het dagelijks

brood. Bij wijlen gaat hij in de fabriek werken.

Van het geld kan de moeder in-

kopen gaan doen. De zoon wacht thuis

tot het eten en het kopen gelukt

is. De vader was vroeger de zoon in de oude

familie. Ook hij was de zoon en

de ouders zorgden voor hem. Toen hij

in dienst was geweest en het lot van het kind

geregeld had was hij zo goed als klaar.

Toen speelde hij voetbal bij F.C. DORNEN

en toen trouwde hij. En kort daarop

kwam toen hij voldoende geld heeft gehad

ik.

Ik heb het origineel nog niet gevonden. Misschien is het wel van Claus zelf.

    • Guus Middag