Bitterheid in plaats van bloemen

Het einde van WOII bestond niet alleen uit jubelende parades. Er was veel geweld en leed tijdens de opmars van de geallieerden, ook na de zogenaamde bevrijding.

Het door de Britten gebombardeerde Caen in 1945 Foto Hurault/Roger-Viollet Photo datée de 1945 de la place Saint-Pierre à Caen en ruines après la Seconde Guerre mondiale. Au fond, l'église Saint-Pierre. AFP

William I. Hitchcock: De bittere weg naar de vrijheid. Een nieuwe geschiedenis van de bevrijding van Europa. Vert. Janet van der Lee. Bert Bakker, 495 blz. € 34,95

David Stafford: Eindspel 1945. Zege, chaos en bevrijding. Vert. Ankie Klootwijk. Mouria. 640 blz. € 39,90

Je kan een oorlog winnen en toch de vrede verliezen. Dat wist ook de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse zaken Dean Acheson toen hij in december 1944 een memo schreef voor Harry Hopkins, de belangrijkste adviseur van president Roosevelt. Hij zette uiteen waarom met het verslaan van de nazi’s de strijd in Europa nog niet gestreden was. Bevrijde volkeren zijn, aldus Acheson, ‘het lichtst ontvlambare materiaal ter wereld. Het zijn vechters. Ze zijn gewelddadig en rusteloos. Ze hebben ondraaglijk geleden. Als we de oorlog willen winnen, moeten we de slag om de bevrijde landen winnen.’

De wijze woorden van Acheson konden niet voorkomen dat de bevrijding van Europa voor veel mensen een allesbehalve vreugdevolle ervaring zou zijn. Over deze zwarte kant van wat in de collectieve herinnering is opgeslagen als een feestelijke parade van bevrijdingslegers, heeft de Amerikaanse historicus William I. Hitchcock een prikkelend boek geschreven.

In de inleiding van De bittere weg naar de vrijheid neemt Hitchcock stevig afstand van het traditionele verhaal over het ontzet van Europa. Natuurlijk was de tijd van de bevrijding er een van heldenmoed, ‘maar ook van niet-aflatend gezwoeg, bitterheid en dood.’

Ellende

Dat de bevrijding van Oost-Europa door Stalins Rode Leger voor de meeste burgers geen reden tot feestvieren was, is genoegzaam bekend. Hitchcock besteedt er in zijn boek dan ook maar één hoofdstuk aan. Wat De bittere weg naar de vrijheid zo lezenswaardig maakt, is de uitputtende wijze waarop de ellende in het westen van Europa gereconstrueerd is. Dat landen als Frankrijk, België en Nederland werden bevrijd door Amerikanen, Britten en Canadezen, wilde niet zeggen dat de burgers er gespaard bleven voor gruwelijk geweld.

Soms kon dat niet anders. In het eerste hoofdstuk beschrijft Hitchcock de verovering van Caen, in de weken na de invasie in Normandië. De stad had al enkele dagen na de landingen van 6 juni moeten vallen, maar door de taaie Duitse verdediging sleepte de strijd zich tot lang na D-Day voort. De Britse bevelhebber Montgomery wilde zijn mannen zo veel mogelijk sparen en besloot daarom de luchtmacht herhaaldelijk Caen te laten bombarderen. De hoofdstad van het departement Calvados werd met de grond gelijk gemaakt. Duizenden burgers vonden de dood.

Dit soort burgerslachtoffers is in een oorlog meestal niet te voorkomen. De inwoners van Calvados kregen echter ook met geweld te maken nadat ze bevrijd waren. Door de onverwacht zware tegenstand van de Duitsers trad er bij de geallieerde legers al gauw een verruwing op. Zo kregen de Fransen, na vier jaar onder de Duitse bezetting, nu te maken kregen met moord, verkrachting en plundering door mannen die in naam hun bondgenoten waren.

In Hitchcocks boek staat een verslag van een officier die zag hoe Britse soldaten een Franse boerderij leegplunderden. ‘Een schandelijke vertoning. Er hadden blijkbaar driehonderd Duitsers gewoond die het eigendom, levende have en de spullen van de eigenaar hadden gerespecteerd. Hoe kan hij, na terugkeer, anders reageren dan zijn bevrijders te vervloeken?’

De geallieerde autoriteiten trachtten hun soldaten met een mengeling van toegeeflijkheid (prostitutie werd toegestaan) en discipline in het gareel te houden. In totaal kregen in 1944 en 1945 bijvoorbeeld 151 Amerikaanse soldaten de doodstraf opgelegd. Hitchcock komt na analyse van deze cijfers tot een verontrustende conclusie: van de geëxecuteerde militairen was 87 procent zwart. En dat terwijl minder dan tien procent van het Amerikaanse leger bestond uit Afro-Amerikanen.

Afgezien van latent racisme bij de legerleiding, is deze discrepantie op nog een manier te verklaren, schrijft Hitchcock. Bij het vonnissen liet een krijgsraad het gedrag op het slagveld van een verdachte meewegen. Omdat Afro-Amerikaanse soldaten niet mochten vechten in fronteenheden, kon bij hen eventueel heldhaftig optreden niet dienen als verzachtende omstandigheid.

De Fransen, en in mindere mate de Belgen, waren door het ongepaste gedrag van hun bevrijders al snel uitgekeken op met name de Amerikanen. Deze afkeer was wederzijds. Veel Amerikanen ergerden zich aan de ondankbare West-Europeanen. Ook het gebrek aan orde en netheid was de bevrijder een doorn in het oog.

Het contrast met wat de geallieerden in Duitsland aantroffen was groot. Nette dorpen en steden, voor zover niet in de as gelegd, werden er bevolkt door mensen die er verzorgd uitzagen, ‘net zoals thuis’. Het verbod op verbroedering dat de legerleiding had uitgevaardigd was dan ook vanaf de eerste dag een dode letter. Veel geallieerde militairen zagen de Duitsers meer zitten dan de Fransen.

Niet alle mensen die de Amerikanen en Britten tegenkwamen in het Derde Rijk zagen er weldoorvoed en netjes uit. De apocalyptische taferelen die de bevrijders aantroffen in kampen als Buchenwald (de Amerikanen) en Bergen-Belsen (de Britten) waren met geen pen te beschrijven. Naast medelijden met slachtoffers en woede op de daders, ervoeren veel militairen ook minder voor de hand liggende en ook minder fraaie gevoelens. Een kapitein van het Britse Royal Army Medical Corps schreef bijvoorbeeld: ‘Ik voelde slechts afschuw, walging, en, ik schaam me om het toe te geven, haat. Haat tegenover de gevangenen omdat ze eruit zagen zoals ze eruit zagen, omdat ze leefden zoals ze leefden, gewoon omdat ze bestonden.’

Kampen

Veel kampbewoners die niet snel gerepatrieerd konden worden, werden opgesloten in het soort kampen waar ze al jaren hadden doorgebracht. De UNRA (United Nations Relief Agency) deed moedige pogingen hun lot te verbeteren, maar voor de poort stonden wel gewapende geallieerde soldaten die niemand naar buiten lieten.

De militairen voerden een streng regime binnen het kamp, om de bewoners weer ‘manieren’ bij te brengen. Het mag duidelijk zijn dat de gevangenen zich hun bevrijding heel anders hadden voorgesteld. Voor veel joden was de nasleep van de oorlog het definitieve bewijs dat ze in Europa niets meer te zoeken hadden. Zij wilden zo snel mogelijk naar Palestina.

Het boek van Hitchcock laat de lezer met een onbestemd gevoel achter. De bevrijding was voor veel Europeanen na jaren van onderdrukking een prachtig moment, maar het einde van de oorlog bracht ook onnoemlijk leed met zich mee. Lang niet alle tranen waren tranen van vreugde.

Een ander nieuw boek over het einde van WO II leest een stuk prettiger. David Stafford kiest er in Eindspel 1945 voor, het verhaal van de laatste oorlogsmaanden te vertellen aan de hand van de belevenissen van ooggetuigen. Hij volgt in zijn boek de wederwaardigheden van personen als BBC-verslaggever Robert Reid, concentratiekampgevangene Fey von Hassel en Brian Samain, kapitein bij de Britse commando’s. Door te schrijven over zowel de verschrikkelijke als de fraaie momenten, is Staffords boek niet zo naargeestig als dat van Hitchcock. De laatste toont zich in zijn analyses superieur ten opzichte van Stafford, die vooral een meeslepend verhaal wil vertellen. Wie beide boeken leest, wordt beloond met een compleet en aangrijpend beeld van de glorieuze, maar vaak ook moeizame bevrijding van Europa.