Bernhard viel tot zijn verdriet in de prijzen

Thomas Bernhard: Meine Preise. Suhrkamp, 140 blz. € 16,30. Vertaald door Gerrit Bussink als Mijn prijzen. Atlas, 144 blz. € 18,50

Geen groter hater van literatuurprijzen dan Thomas Bernhard. Het afhalen van een prijs stond voor hem gelijk aan de gang naar een executie. Literatuurprijzen vond hij eerder iets voor modieus geklede hoorspelschrijvers van een jaar of vijfentwintig. Dat de grote Oostenrijkse Übertreibungskünstler desondanks vele prijzen in ontvangst heeft genomen, had naar eigen zeggen vooral materiële redenen. Van de geldbedragen kocht hij een vervallen boerderij of zijn eerste auto, een Triumph Herald, die hij al na enkele weken aan de Kroatische kust total loss reed. Lager gedoteerde prijzen waren altijd nog goed voor een paar nieuwe raamkozijnen.

Precies twintig jaar geleden is Thomas Bernhard (1931-1989) gestorven, en het herdenkingsjaar is zojuist op even schitterende als verrassende wijze ingeluid met het in de nalatenschap aangetroffen Meine Preise. Bernhard schreef deze bundel al omstreeks 1980, maar stelde de publicatie uit. Gelijktijdig is bij Residenz Verlag een uniek fotoboek verschenen (Thomas Bernhard; Leben und Werk in Bildern und Texten) van het met de schrijver bevriende kunstenaarsechtpaar Erika en Wieland Schmied. En later dit jaar komt de briefwisseling van Bernhard met Suhrkamp-uitgever Siegfried Unseld op de markt, die ongeveer 1.000 pagina’s telt.

Meine Preise bevat negen opstellen over de literatuurprijzen die Bernhard in de jaren zestig en zeventig in ontvangst heeft genomen. De bundel opent met een prachtig artikel over de uitreiking van de Grillparzerprijs in 1972, een plechtigheid waarvoor Bernhard zich op de ochtend van het festijn in het exclusieve Weense modehuis Sir Anthony een nieuw kostuum aanschaft (hij houdt het meteen aan), maar dat hem even later toch ietwat krap blijkt te zitten – en dat hij na afloop gaat ruilen.

Net zo sterk is het artikel over de Franz Theodor Csokorprijs, dat bestaat uit hilarische herinneringen aan de lang geleden met Bernhard bevriende naamgever en diens collega-schrijver Georg Saiko. Een derde hoogtepunt is het tamelijk elegisch getoonzette fragment ‘Der Literaturpreis der Bundeswirtschaftskammer’, dat eindigt met de dood van een van de prijsuitreikers.

Aan groteske situaties geen gebrek in deze verhalen, die overigens ook stilistisch heel bekoorlijk zijn. Een laudator dreunt boektitels op die Bernhard nooit heeft geschreven; een minister die naast hem zit tijdens de prijsuitreiking valt in slaap en begint zelfs lichtjes te snurken (‘das leise Ministerschnarchen, das weltbekannt ist’); en een prijs die hij deelt met de dichteres Elisabeth Borchers wordt zelfs toegekend aan ‘Frau Bernhard und Herr Borchers’.

Voor Bernhards doen is dit een tamelijk vriendelijk en lichtvoetig boek – enigszins vergelijkbaar met het in dezelfde tijd geschreven prozajuweel Wittgensteins Neffe. Natuurlijk, deze schrijver was niet bepaald het zonnetje in huis, en zijn legendarische schimpscheuten en scheldtirades ontbreken ook hier niet. Ergens moet een slecht Duits sprekende minister uit Stiermarken het ontgelden – niet de snurkende –, een man die wellicht verstand had van ‘varkens en voederbieten’ maar niet van kunst en cultuur, ‘hoewel hij ononderbroken en overal over kunst en cultuur sprak’.

Maar gelukkig spaart Bernhard ook zichzelf niet. Samenvattend zegt hij: ‘Hier heeft [...] mijn karakter een groot lek. Ik verachtte de mensen die prijzen gaven, maar ik wees de prijzen niet strikt van de hand. Het was allemaal weerzinwekkend, maar het meest weerzinwekkend vond ik mezelf.’

Meine Preise is een groot klein boek, een genot om te lezen.