De klokken staan al een eeuw gelijk

Tot 1909 had iedere stad en streek in Nederland zijn eigen tijd, afgestemd op de zonnewijzer voor de kerk. Precies honderd jaar geleden werden alle klokken gelijkgezet met die van Amsterdam.

Stationsklok in Zevenaar, eerste helft vorige eeuw om 11.19 Amsterdamse tijd. Tot 1940 was het net over de grens in Duitsland 40 minuten en 28 seconden later – 31 jaar lang vormde Nederland een eigen tijdzone. Foto Spaarnestad Bijschrift: Station Zevenaar Credits: Collectie SPAARNESTAD PHOTO/Het Leven Codec 25120 Collectie Het Leven (LEVEN 022) Publicatie Het Leven stations klokken
Stationsklok in Zevenaar, eerste helft vorige eeuw om 11.19 Amsterdamse tijd. Tot 1940 was het net over de grens in Duitsland 40 minuten en 28 seconden later – 31 jaar lang vormde Nederland een eigen tijdzone. Foto Spaarnestad Bijschrift: Station Zevenaar Credits: Collectie SPAARNESTAD PHOTO/Het Leven Codec 25120 Collectie Het Leven (LEVEN 022) Publicatie Het Leven stations klokken Spaarnestad

Iets om komende nacht om 1:40:52 uur even bij stil te staan: op dat ogenblik is het precies 100 jaar geleden dat heel Nederland overging op één uniforme Nederlandse tijd. Dat gebeurde op 1 mei 1909 om 0:00:00 uur.

De tijd van Amsterdam werd toen als ijkpunt genomen. Pas met de Duitse bezetting ging Nederland over op de Midden-Europese tijd, die precies 1 uur verschilt van de tijd van Greenwich (het internationale ijkpunt) en precies 40 minuten en 28 seconden van de Amsterdamse tijd. Voeg daar de huidige zomertijd aan toe én de 24 schrikkelseconden die er sinds 1972 bij zijn gekomen, en je komt op een verschil van 1 uur 40 minuten en 52 seconden.

Sterrenkundige Rob van Gent zal morgen, naar aanleiding van die honderd jaar, in Museum Boerhaave een lezing geven over de geschiedenis van tijd. Sterrenkunde en tijd hebben veel met elkaar te maken, zegt hij. „Sterrenkundigen zijn altijd de tijdbewaarders geweest. De stand van de zon is het ijkpunt: als de zon in zijn hoogste positie staat, is het twaalf uur ’s middags.”

Vóór 1909 had iedere stad zijn eigen plaatselijke tijd. „Een kerk, meestal de grootste of belangrijkste, gaf de tijd aan. De rest van de stad keek of luisterde daarnaar – want je kon die kerk ook horen – en zette zijn eigen klok daarop gelijk. In de omliggende dorpen was het vaak zo dat de koster of de pastoor een klein kijkertje had om te bekijken wat de kerk van de stad deed. Of hij keek weer naar de kerk van een naburig dorp.”

Bij de centrale kerk hing altijd een zonnewijzer. Als de zonnewijzer de hoogste stand van de zon en dus 12 uur aangaf, werd de klok van de kerk daarop gelijk gezet. Dat hoefde niet per se iedere dag te gebeuren. Was het een paar dagen bewolkt, dan was dat geen probleem: de kerkklok liep meestal goed genoeg. Maar uiteindelijk, als de zon weer scheen om 12 uur, werd de tijd meteen weer even gecontroleerd en gecorrigeerd.

Het slingeruurwerk, waar de klok van zo’n kerk op liep, was niet superprecies. Van Gent: „Je hebt altijd te maken met seizoensinvloeden. Als het warm wordt, wordt die slinger iets langer en gaat het uurwerk iets langzamer lopen. Dat kan per dag een paar seconden schelen. Het moet dus telkens geijkt worden. Daarom zijn zonnewijzers belangrijk gebleven tot ver in de negentiende eeuw.”

Met de komst van spoorwegen ontstond in de negentiende eeuw de behoefte aan een nationale tijd – zodat de treinen overal ‘op tijd’ konden rijden. Engeland liep hierin voorop. De Britse spoorwegen namen al in 1847 de tijd van Londen (de sterrenwacht van Greenwich) als uitgangspunt.

In 1884 kwam in Washington een internationaal congres over tijd bijeen. Dat kwam met de ‘aanbeveling’ om de wereld in 24 tijdzones in te delen. Er was enige discussie over het ijkpunt. De meeste landen landen vonden Greenwich prima. De Fransen lagen een poosje dwars, zij wilden liever dat Parijs het ijkpunt werd.

Tegen het einde van de negentiende eeuw eeuw hadden de meeste Europese landen een op Greenwich gebaseerde tijd ingevoerd, maar in Nederland duurde het tot 1909 voordat er een nationale tijd kwam. Nederland koos bovendien voor de Amsterdamse tijd.

Van Gent: „Daarmee was Nederland een buitenbeentje: de Nederlandse tijd sloot nergens bij aan. Nederland kon niet beslissen of men deel wilde uitmaken van de Greenwich-zone of van de tijdzone van Berlijn. Die Amsterdamse tijd was al in gebruik bij de spoorwegen, en men besloot om die tijd dan maar algemeen in te voeren.”

Dat Nederland uiteindelijk toch dezelfde tijd kreeg als Duitsland (1 uur verschil met Greenwich), hebben we aan de Duitse bezetting van mei 1940 te danken. De Duitsers voerden hier de Midden-Europese tijd in en die hebben we nu nog steeds – ondanks het feit dat Nederland dichter bij Londen ligt dan bij Berlijn.

De socioloog Joop Goudsblom schreef ooit een essay over de uniformering van de tijd. Naast de individuele beleving van tijd en naast tijd als een natuurproces dat zich buiten de mensen om in de wereld voltrekt, is de uniforme tijd een derde soort tijd: ‘een vorm van dwang die mensen meer of minder bewust aan elkaar en daarmee ook aan zichzelf opleggen’.

De invloed op het alledaagse leven is groot. Als mensen nu om zes uur ’s avonds gaan eten, doen ze dat op de eerste plaats omdat het zes uur ’s avonds is, en niet perse omdat ze dan honger hebben. Ze willen bijvoorbeeld met eten klaar zijn voordat het tv-journaal begint. De uniforme tijd komt het dagelijks leven op allerlei manieren binnen: via de tv-programmering, via de werktijden.

Van Gent: „Hoe groot die invloed is, merk je pas als je op vakantie bent. Dan laat je het werkritme los, en als je slim bent neem je ook geen tv mee. Je komt dan weer in een natuurlijk ritme, dat bepaald wordt door de opkomst en ondergang van de zon.”

Rob van Gent heeft een uitgebreide website over de geschiedenis van tijd: www.phys.uu.nl/~vgent/wettijd/wettijd.htm