In die JSF moet ook een piloot

Een straaljager moet heel snel kunnen wenden, maar de mens is daar niet op gebouwd.

Dat had de natuurkundige Huygens al in 1658 kunnen vertellen aan Defensie.

Vliegen vanaf de grond illustratie Hajo. vliegtuig. jsf. piloot. onbemand vliegtuig
Vliegen vanaf de grond illustratie Hajo. vliegtuig. jsf. piloot. onbemand vliegtuig Hajo

Manfred Freiherr von Richthofen schoot tachtig tegenstanders uit de met kruitdamp en gifgas bevuilde lucht boven de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Hij was het oertype van de dekselse kwajongen, die zijn zakdoek aan de torenspits van het plaatselijke kerkje prikte – over Michiel de Ruijter wordt een soortgelijk verhaal verteld, dus misschien is dat een tip voor mensen met militaire ambities. In zijn gevechten met de eerste zestig vloog Richthofen in een Albatros, de laatste twintig haalde hij neer met zijn beruchte rode Fokker Dr.1 driedekker.

De mythische elementen in de cultus van het jachtvliegtuig waren toen al aanwezig – en ze zijn het nog. Rakkers met pit, eenzaam in de cockpit van de Spitfire. Toen al woedde er, naast de feitelijke gevechten, een woordenstrijd over de kwaliteiten van de gevechtsvliegtuigen. Welke was de beste? De Sopwith, of toch de Fokker? Was een jachtvliegtuig waarmee je ook kon bombarderen te verkiezen boven een sneller type dat dat niet kon? Toen was dat van belang, maar nu niet meer, omdat het jachtvliegtuig een vliegend fossiel is. Een jachtvliegtuig uit 1917 was bruikbaar omdat er een mens in zat, maar een jager uit 2010 is onbruikbaar om precies dezelfde reden.

Want wat doe je als de vijand een raket op je afschiet? Als trucs om de sensoren van de raket om de tuin te leiden niet werken, moet je wachten tot het projectiel dichtbij is, en dan plotseling een zo scherp mogelijke bocht maken.

Maar er is een grens aan de wendbaarheid van een vliegtuig, die wordt gesteld door de middelpuntvliedende kracht. Bij een extreem scherpe bocht kan het toestel uiteenscheuren, maar allang voordat die grens is bereikt is de kracht zo enorm dat het menselijk lichaam er geen weerstand aan kan bieden, zelfs niet als het is ingekapseld in beschermende kleding.

Dat had Christiaan Huygens al aan onze militaire inkoopafdeling kunnen vertellen. In 1658 schreef deze superbriljante wetenschapper het artikel De vi centrifuga, waarin hij onder andere een formule geeft voor de middelpuntvliedende kracht.

Huygens had een relativiteitsprincipe bedacht waaruit regelrecht volgt dat een voorwerp waarop geen kracht werkt, met constante snelheid in een rechte lijn beweegt: de Wet van de Traagheid. Galilei had nog uitdrukkelijk beweerd dat de cirkelbeweging zichzelf in stand houdt en dat er dus geen kracht nodig is om iets op een cirkel te laten bewegen, maar de wagenmaker, de smid en de geleerde wisten wel beter. Huygens bewees dat de centrifugale kracht evenredig is aan het kwadraat van de snelheid gedeeld door de straal van de cirkel.

Voor een jachtvliegtuig is die kracht een groot probleem. Een jager moet uiteraard heel snel gaan, maar tweemaal sneller betekent een viermaal grotere middelpuntvliedende kracht. Om een andere jager of een raket te ontwijken moet je bocht zeer scherp zijn, maar juist dan is de kracht enorm. Zo groot dat de beperkingen van de vlieger veel belangrijker zijn dan die van het vliegtuig.

In 1917 was dat nog niet zo, maar nu wel. De onoplosbare zwakte van alle bestaande jachtvliegtuigen is dat er een mens aan boord moet zijn. Maar juist die piloot, met de hem omringende jongensromantiek, is de belangrijkste reden dat dit soort vliegtuigen nog steeds bedacht en wordt gebouwd volgens de opvattingen uit 1914-1918.

In de Tweede Wereldoorlog gingen de jagers al zo snel dat de Huygenskracht hen ernstig belemmerde, en sindsdien zijn de toestellen wel sneller geworden, maar is de menselijke lichaamsbouw niet mee geëvolueerd. Zoals gebruikelijk is men bezig de vorige oorlog uit te vechten.

Wat mij als natuurkundige zo ergert, is dat de merites van zulke apparaten niet gewoon experimenteel worden vastgesteld, ook al omdat het gaat om beloften over een prototype, niet over gemeten eigenschappen van een tastbaar toestel. Dat die beloften met veel bombarie en special effects worden gepresenteerd aan mensen die geen flauw benul van fysica hebben maakt het alleen maar erger.

Maar vooral vind ik het onbegrijpelijk dat de natuurkundige feiten over de beperkingen van bemande jachtvliegtuigen geen rol spelen in de gedachten van de overgewichtige parlementariërs die nooit zo’n kist zullen besturen, maar stiekem wel dromen van een heldenrol als opvolger van de Rode Baron.

Geen weldenkend mens zal het recht op zelfverdediging betwisten, maar het ontkennen van de fysische feiten draagt negatief bij aan onze veiligheid. Als de F-16 op staande voet wat wordt aangepast, winnen wij voldoende tijd om die kwajongen eindelijk eens uit zijn cockpit te plukken, en hem op afstand een superjager te laten besturen, tot afgrijzen van de vijand in zo’n ouderwetse JSF.

Niet alleen Huygens geeft ons argumenten tegen onzinnige bewapening, maar ook de geschiedkundige Johan Huizinga verzette zich al tegen militaire ondoelmatigheid. In hoofdstuk 17 van In de schaduwen van morgen schrijft hij: ‘Het is alles drakentanden zaaien. Men bouwt met de uiterste prestaties van wetenschap en techniek, en met uitputting van al zijn middelen, een land-, zee- en luchtmacht op, en hoopt vurig (althans de meesten doen het) haar niet te zullen gebruiken. Het is in termen van zuivere doelmatigheid uitgedrukt het aanmaken van oud roest.’

Mocht u dit te recent zijn – geschreven in 1935, nietwaar – dan laat ik Huygens maar weer aan het woord. Ik citeer uit Cosmotheoros, een ruimtereis door ons zonnestelsel die hij omstreeks 1680 beschreef. Huygens heeft de drukker van zijn boek opgedragen om op bladzijde 177 de volgende zinnen in vette, grote hoofdletters te zetten: „’t Welk te wenschen was dat onze Koningen en Alleenheerschers leerden en bedagten; op dat zy mogten weten, in wat een kleine zaak zy hun zelven afslooven, als zy om een hoek lands in te nemen, tot groot verderf van velen, alle hunne kragten inspannen.”

Huygens’ wijze woorden kun je schouderophalend naast je neerleggen. Zijn natuurkundige wetten niet.

Vincent Icke is hoogleraar theoretische sterrekunde aan de Universiteit Leiden.