De tijd dat ik geslagen werd

Miniaturen en vondsten uit beerputten laten zien hoe het er op middeleeuwse scholen aan toeging. Veel fouten maken werd bestraft met de roe of de plak.

Links leerlingen gaan Sint-Felix te lijf met een rieten mandje en een houten knuppel.
Links leerlingen gaan Sint-Felix te lijf met een rieten mandje en een houten knuppel. RMO

We kijken naar een miniatuur van rond 1450: Sint Felix, die door zijn leerlingen wordt doodgemarteld. De scholieren gaan hem te lijf met een pennenmes, een schooltas, een schrijfplankje, een rieten mandje en een houten knuppel.

Een interessante miniatuur, vindt Annemarieke Willemsen.

“Het verhaal van Sint Felix speelt in de laat-klassieke tijd, maar alle details op deze miniatuur zijn middeleeuws. In de details verraden kunstenaars altijd hun eigen tijd. Je ziet bankjes, rekken langs de muur, haken waaraan je schoolspullen kunt ophangen. Je ziet een schrijfstift, schrijfmesjes, schrijfetuis, schrijfplankjes, schooltassen, schoolmandjes. Veel van die voorwerpen kennen we uit archeologische vondsten. Ze zijn precies zo gevonden.”

Willemsen, die conservator middeleeuwen is in het Museum van Oudheden in Leiden, schreef ook het boek ‘Dorestad’ bij de gelijknamige tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Nu heeft ze een studie voltooid over de materiële cultuur van Nederlandse scholen in de periode van 1300 tot 1600 – die de late middeleeuwen en de renaissance omvat. Willemsen is geïnteresseerd in ‘de voorwerpen waarmee mensen zich omgeven en die hun leven vormgeven’.

“Het is een manier om naar de geschiedenis te kijken. Over scholen is al veel geschreven, maar dat zijn de gebruikelijke historische studies, gebaseerd op schriftelijke bronnen, waarin je natuurlijk het een en ander vindt: hoeveel de schoolmeester betaald kreeg en zo – dat staat allemaal netjes in de rekeningen. Maar die bronnen zeggen heel weinig over hoe het eraan toeging.”

BRONNEN

Willemsen wil weten: hoe waren de leerlingen en leraren gekleed, hoe gedroegen of misdroegen ze zich, hoe gingen leerling en leraar met elkaar om. Ze gebruikt voor haar onderzoek twee bronnen: archeologische vondsten en afbeeldingen zoals miniaturen, schilderijen en reliëfs.

Er zijn bijvoorbeeld nogal wat miniaturen waarop een ‘apenschool’ wordt afgebeeld. “Dat is een parodie: om te lachen dus. Er zit ook een moralistische les in verpakt. Je kunt daar heel hoogdravend over doen, maar het idee is simpel: apen lijken op mensen, dus als je apen bezig ziet, lach je eigenlijk een beetje om je eigen gedrag. Wat ik interessant vond: je ziet bij die apenschooltjes meteen dat het een schooltje is. Je ziet dat aan de houding en aan de attributen. De aap die leraar is, zit wat hoger en draagt een mantel. Tegenover hem zit een naakte aap met een boek. En een eindje verderop wordt een andere naakte aap door een leraar-aap afgeranseld.” Blijkbaar was dat voor de middeleeuwer de essentie van een school.

Ook op gewone miniaturen – niet met apen, maar met mensen – is dat het beeld: een man zit op een verhoging met een baret op, tegenover hem zitten leerlingen die iets opschrijven of luisteren. “Leraren zaten altijd op een hoge stoel en op een podiumpje. Dat was niet alleen symbolisch, maar ook handig: zo keken ze uit over de leerlingen. Daarnaast wordt de leraar vaak afgebeeld in de handeling van het straffen: een leerling krijgt een corrigerende tik met de ‘plak’ of er wordt met een roe op blote billen geranseld. En als de leraar rustig les zit te geven, heeft hij de plak of roe ofwel in zijn hand, ofwel binnen handbereik: het ding ligt naast hem of hangt achter hem aan de muur.”

De roe kennen we nu alleen nog van Zwarte Piet en de plak alleen nog van de uitdrukking ‘onder de plak zitten’. Een plak ziet er uit als een platte houten lepel. De leraar kon een leerling daarmee gemeen op de vingers slaan. “Dat deed vooral heel erg zeer als je je vingers op de tafel moest leggen”, zegt Willemsen. “Maar het kon ook op een open hand: dan bewogen de vingers een beetje mee en deed het minder zeer. Als een leerling veel fouten maakte bij het opzeggen van de les, moest hij zijn hand neerleggen en kreeg hij een paar tikken. En leerlingen die zich misdroegen, werden natuurlijk ook zo gestraft.”

Van die houten plakken zijn er bij opgravingen vrij veel teruggevonden. Ze werden vroeger niet altijd als zodanig herkend, men zag er vaak keukengereedschap in: een boterspaan of een pollepel.

Middeleeuwers noemden hun schooltijd vaak ‘de tijd dat ik geslagen werd’. In een vijftiende-eeuwse tekst over ‘dingen die zelden geschieden’ wordt beweerd: ‘Jonge kinderen van zulke zeden dat ze geerne naar schole gaan, dit vindt men zelden.’ De weinige autobiografische teksten uit die tijd waarin iets gezegd wordt over de schooljaren, bevestigen dit beeld. Willemsen vond in een museum in Braunschweig een uniek egodocument uit 1520: het Trachtenbuch (Kledingboek) van Matthäus Schwarz. Schwarz heeft daarin allerlei episoden uit zijn leven getekend en van een tekstje voorzien. Het idee is dat de lezer zo een beeld krijgt van de kleding van die tijd.

SPIJBELAAR

Schwarz heeft onder meer zijn eerste schooldag getekend: zijn ouders brengen hem met de kar naar school, ze hebben hem vastgebonden aan de kar, want hij was er onderweg uitgesprongen om terug naar huis te lopen. Op een andere tekening heeft hij zichzelf als spijbelaar vereeuwigd: hij zit in een weiland bij een paar koeien, zijn schoolspullen liggen naast hem in het gras.

Ook zijn laatste schooldag heeft hij getekend: we zien hoe hij het schoolgebouwtje net heeft verlaten en zijn schoolspullen vertrapt: een schooltas, etuitjes voor pennen en inktpotjes en twee schoolboeken. Willemsen: “Blijkbaar hadden leerlingen ook in die tijd al hun eigen schoolboeken.”

De omgang tussen leraar en leerling werd niet alleen gekenmerkt door de plak en de roe. Willemsen trof ook details aan die wijzen op een wat warmere, intiemere omgang dan we nu gewend zijn op school. “We hebben schrijfoefeningen waarin leerlingen een schooldag beschrijven. Ze schrijven: ik kom binnen, ik omhels de meester, ik zeg: goeiemorgen meester. Ook in de reglementen kom je dat soort details tegen. Stadsscholen hadden vaak slaapzaaltjes voor leerlingen van buiten de stad en het reglement bepaalde dat de meesters iedere avond moesten controleren of de kinderen wel goed ingestopt waren.”

Voor het schrijven werden onder meer ganzeveren gebruikt: ze zijn veel op afbeeldingen te zien – maar ze zijn nauwelijks teruggevonden. Men gebruikte niet de hele veer, zoals je vaak in romantische films ziet, maar alleen de pen. “Als de veertjes er nog aan zitten, gaat zo’n ganzenveer heel erg flapperen. Dat is onhandig. Dus het eerste wat ze deden was die veertjes erafsnijden. Als je er dan een poosje mee geschreven had, werd zo’n ganzenveer bot. Dus sneed je er telkens een stukje vanaf, om hem weer scherp te maken. Totdat het stuk dat je overhield te kort was om mee te schrijven. Dat gooide je weg. Ik denk dat er weinig ganzeveren zijn teruggevonden, omdat de korte stukjes die overblijven maar moeilijk te herkennen zijn. En het is natuurlijk ook heel vergankelijk materiaal.”

SCHENKINGEN

Willemsen probeert in haar boek ook te achterhalen hoe een lokaal er in die tijd uitzag. Op bijna alle afbeeldingen zien we leerlingen op bankjes zitten, soms met een lange lessenaar voor zich. Vroeger werd vaak gedacht dat de leerlingen moesten staan of op de grond zitten, maar dat klopt dus niet. Een ander wijd verbreid idee was dat het koud was op die middeleeuwse scholen. “Dan is het wel grappig dat je in de boeken allerlei schenkingen vindt van stro en hout voor de haard en zo. Dus er werd wel degelijk zo goed mogelijk verwarmd, al zal het misschien kouder zijn geweest dan nu. De leraren worden altijd afgebeeld in warme mantels en met een baret of een muts op het hoofd. Maar die zitten ook stil.”

Een zo’n baret is teruggevonden, in een oude beerput in Groningen. “Een propje nat smerig modderig donker zwart textiel, dat iemand vervolgens met veel liefde gedroogd, uitgewassen en uitgepakt heeft. Toen bleek dat een baret van vervilt wol te zijn.”

De ‘opgraving’ van de middeleeuwse Latijnse School in Groningen is een van Willemsens favorieten. “Het gaat om de beerput van die school. Beerputten waren een soort afvalbak, waarin niet alleen het toiletafval verdween, maar waar ook allerlei andere dingen in werden gegooid.”

Archeologen zijn dol op beerputten. Door het zure, van lucht afgesloten milieu blijven allerlei spullen daarin goed geconserveerd. Normaal zit er in een beerput heel veel keukenafval: botjes van dieren, pitten, af en toe een gebroken kookpot. Maar beerputten van scholen hebben een heel ander patroon: daar zitten schoolspulletjes in, en ook heel vaak speelgoed. In de Groningse beerput zaten stukken perkament, een schrijfplankje, een stuk van een boek, maar ook een blaaspijp waarmee je propjes kunt schieten en een tol.

Als we het over de middeleeuwse school hebben, hebben we het over de Latijnse school. Jonge kinderen gingen eerst naar een onderschooltje, waar ze basaal leerden lezen, schrijven en rekenen. Als ze dat konden, gingen ze naar de Latijnse school.

“Schrijfplankjes en leesplankjes uit die tijd zijn allemaal in het Latijn”, zegt Willemsen. In de kerk werd ook alles in het Latijn gedaan. Kinderen spraken thuis Diets – tenzij ze uit een Franstalig huishouden kwamen, want dat had je ook nog. Maar zodra ze voor het eerst gingen schrijven, gebruikten ze daar het Ave Maria en het Pater Noster voor. Die gebeden kenden ze alleen in het Latijn. Het idee was: als je goed Latijn kunt, is dat een ticket to the world.”

HOOGSTE KLAS

Of een leerling de hele Latijnse school doorliep, van de achtste tot en met de eerste klas (er werd in die tijd andersom geteld dan nu), hing af van zijn vaardigheden. Er waren er maar weinig die de hoogste klas haalden, op veel scholen ontbraken de tweede en eerste klas zelfs.

“Wat zich binnen dit systeem op een bijna natuurlijke manier voordeed, was dat leerlingen die het allemaal heel snel snapten, andere leerlingen gingen helpen. Oudere leerlingen die boven kwamen drijven, werden door de leraar als een soort gezel ingezet. In een klas met honderd leerlingen – want zo groot konden die klassen soms zijn – was dat ook wel handig, denk ik.”

Ad Tervoort, historicus aan de VU, heeft aan de hand van gegevens in de stad Gouda berekend hoeveel jongens rond 1550 naar de Latijnse school gingen. Hij kwam uit op meer dan de helft van de jongens die in de stad woonden. Willemsen: “Dat betekent dat in steden als Gouda meer mensen wel konden schrijven dan niet.”

Schoolboeken waren in die tijd al veel algemener dan nu gedacht wordt. “De middeleeuwse boeken die bewaard zijn gebleven zijn eigenlijk allemaal prachtexemplaren. Die simpele schoolboekjes die de scholieren gebruiken, daar hebben we er maar heel weinig van. Terwijl er heel veel geweest moeten zijn. Je ziet dat er ook, al vanaf de veertiende eeuw, schoolboeken werden ingekocht voor wezen en vondelingen. Blijkbaar had iedere leerling zijn eigen boek.”

Voor kinderen waarvan de ouders het schoolgeld niet konden betalen, was er een soort beurzensysteem van de stad – dat zie je eigenlijk overal. Daar zit natuurlijk iets christelijks achter. Maar het zegt ook iets over hoe algemeen dat onderwijs was.”

In de periode die Willemsen heeft bekeken, waren de gezinnen nog helemaal niet zo groot. De kindersterfte was hoog. Uit haardstede-tellingen uit die tijd blijkt dat een gezin meestal uit vier, vijf of zes personen bestond. “Je ziet uit deze tijd wel eens familieportretten waar heel veel kinderen op staan, maar die zijn een beetje misleidend, omdat daarop vaak ook de dode kindjes werden afgebeeld. Die staan er dan op met een kruisje op het hoofd of net erboven of ze hebben witte kleertjes aan.”

Rectificatie / Gerectificeerd

De tijd dat ik geslagen werd 2

Wetenschapsbijlage 25-04-09

Redactie wetenschap

In het interview met Annemarieke Willemsen over het middeleeuwse onderwijs ontbraken precieze gegevens over haar boek, dat Back to the Schoolyard. The Daily Practice of Medieval and Renaissance Education heet, uitgever: Brepols Publishers, Turnhout, 76, ISBN: 9-782503-525990