Vaessens klinkt als muziek in mijn oren

Drie weken geleden beschreef Bas Heijne het nieuwe boek van Thomas Vaessens, ‘De revanche van de roman’, als prikkelend én ergerniswekkend. Gert Jan de Vries ziet juist veel in Vaessens’ visie op literaire autonomie en engagement, Marcel Möring pleit voor literatuur die zich bevrijdt van de tijdgeest. Vaessens reageert. Lees alle stukken en lezersreacties op nrcboeken.nl

Nu literaire ruzies op de televisie worden uitgevochten zijn ze een stuk korter en venijniger dan vroeger in de literaire bladen. Zo koelde Connie Palmen vorige week in De wereld draait door haar woede op literatuurhoogleraar Thomas Vaessens, de ‘nietsnut’ die door het publiceren van De revanche van de roman haar halfgoddelijke status op het spel had gezet.

La Palmen was niet de enige. Carel Peters verweet Vaessens dat hij ‘tegen literatuur’ is. En in deze krant concludeerde Bas Heijne over Vaessens begrip van kunst: ‘Het zegt hem gewoon niet zoveel’.

In de ogen van deze drie zet Vaessens de deur kennelijk open voor pulp, commercie en populisme. Inmiddels mengde ook Arjan Peters (de Volkskrant), zich in de strijd, maar diens conclusie is radicaal tegengesteld. Peters verweet de jonge hoogleraar ‘literaire machtspolitiek’ die ‘enghartig’ is en sprak ten aanzien van Vaessens’ voorkeuren over een ‘nauw straatje’.

De hoge toon van de reacties en het indrukwekkende gebrek aan nuance geeft aan dat het hier een religieuze kwestie betreft. Eigenlijk had Vaessens dat in zijn boek ook al duidelijk gemaakt. Kunst, ook literaire, vormt feitelijk het humanistische alternatief voor religie. Literaire werken worden door liefhebbers maar vooral door beroepslezers zo universeel en tijdloos ervaren als God, de tekst wordt gezien als een autonoom c.q. heilig geheel en schrijvers zijn weinig minder dan profeten.

Geen wonder dus dat hogepriesters uit de humanistische kerk Vaessens voor ketter uitmaken nu hij het waagt aan de geldigheid van leerstukken en dogma’s te tornen. Want dat is wat Vaessens doet. Hij wil op zoek naar een nieuw paradigma voor de literatuur en de omgang (kritiek en onderzoek) ermee. Dat doet hij niet uit een diep gevoelde behoefte tot beeldenstorm, maar simpelweg omdat het gelijk van de humanistische houding allang is ondergraven en het alternatief ervoor – postmodernisme – niet levensvatbaar bleek.

Ronduit de intrigerendste van de criticasters is Bas Heijne. In een lang artikel (Boeken, 03.04.09) geeft hij een redelijk accurate samenvatting van Vaessens ideeën, zij het op rancuneuze toon en in een merkwaardig ongepast kader. Heijne houdt namelijk eerst een filippica tegen voetbalschrijver Hugo Borst die het heeft gewaagd zijn collega Arnold Heumakers te piepelen. En in één moeite door verwijt Heijne nu Vaessens dat ook hij dedain ten toon spreidt jegens de literatuur en haar belijders. ‘Ogenschijnlijk’, schrijft Heijne, ‘wil Vaessens met zijn boek laten zien hoe literatuur weer een rol kan gaan spelen in de samenleving, maar zijn positieve boodschap wordt overstemd door zijn luid beleden afkeer van schrijvers en critici die nog in de waan leven dat zij en hun schrijfsels nog meetellen.’

Heijnes probleem zit hem dus niet in Vaessens opvattingen, maar in zijn toon. Het moet worden gezegd dat die toon weinig respectvol is – wel verfrissend. Ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen dat iemand zijn lachen kan inhouden bij alle zelfbenoemde hoogwaardigheid en de cirkelredeneringen uit het humanistische brevier. Neem de pompeuze evaluatie die Jeroen Brouwers in deze krant gaf van zijn carrière (18.04.09): „Ik ben een literair kunstenaar en ik kan het niet uitstaan als de literatuur op wat voor manier dan ook wordt gebagatelliseerd. [...] Dan zou ik dus mijn hele leven voor niets zomaar wat hebben aangerommeld.” Het is toch net of je een hoogbejaarde priester hoort twijfelen aan het nut van het celibaat?

Heijne is te doordrenkt van de humanistische leer om helder te kunnen oordelen. Zonder die vooringenomenheid zou hij hebben gezien dat Vaessens een voorstander is van de schrijver als ‘publieke intellectueel’ en van literatuur als een blijk van ‘vitaal burgerschap’, zaken waarmee Heijne het gezien zijn recensies en columns van harte eens zou moeten zijn. Vaessens betoogt verder dat in de receptie van literatuur de overheersende nadruk op esthetiek plaats moet maken voor meer aandacht voor de morele, ethische en politieke aspecten. Dat klinkt mij als literair bevlogen thrillerrecensent als muziek in de oren, al was het maar omdat het vaak zo willekeurige onderscheid tussen ‘thriller’ en ‘literatuur’ erdoor naar de achtergrond verdwijnt.

Feit blijft dat het een opgave zal zijn om zonder de oude leerstellingen in evenwicht te blijven. Het zal mij benieuwen of Vaessens’ visie in de praktijk tot verwijding of versmalling van het perspectief leidt. Aan zijn oordeelsvermogen hoeven we niet te twijfelen. ‘Wie vragen stelt bij de vanzelfsprekende autoriteit van de hoge cultuur, die heeft „gebrek aan smaak”,’ voorspelde hij. Hij heeft overdonderend snel gelijk gekregen.