De wonderklomp van de Praagse superrabbi

De legende van rabbi Löw en zijn Golem, de Joodse wreker uit Praag, is al eeuwenlang een inspiratiebron voor schrijvers en kunstenaars – van Mary Shelley tot Harry Mulisch en van expressionistische filmers tot 20ste-eeuwse beeldhouwers. Derde aflevering van een zoektocht naar historische literaire helden.

Het geschiedde in de dagen dat keizer Rudolf II heerste over Bohemen, en dat de antisemitische krachten aan zijn hof zich steeds fanatieker richtten tegen de Joden in het getto van Praag. In een droom vroeg de belangrijkste rabbijn, Judah Löw, hoe hij zijn geloofsgenoten kon beschermen tegen de pogroms. Het antwoord kwam uit de hemel: ‘Gij zult een golem maken uit kleiig leem en hem bevelen de boze folteraars van Joden te vernietigen.’

Rabbi Löw handelde zoals hem bevolen was. Een week later, op de 20ste Adar van het jaar 5340 na de schepping (4 maart 1580 in de christelijke jaartelling), begaf hij zich midden in de nacht met twee helpers naar de oever van de Moldau. Daar maakten ze van klei een pop, waar ze drie maal zeven maal omheen liepen – onder het declameren van Hebreeuwse lettercombinaties. Toen de Golem (‘vormeloos begin’ in de taal van de psalmen) zijn ogen opendeed en opstond, kreeg hij van Löw de naam Josef en de opdracht om altijd te doen wat de rabbi hem opdroeg.

De domme kracht, die al snel de bijnaam Jossele de Stomme kreeg, deed al snel waarvoor hij geschapen was en hielp de Rabbi in zijn strijd tegen de ‘bloedlaster’, de telkens weer opduikende beschuldiging dat de Joden christenkinderbloed gebruikten bij de bereiding van de matzes voor het Paasfeest. De Golem verijdelde aanslagen, ontmaskerde bedriegers, vond vermeende christenslachtoffers levend terug, zorgde ervoor dat een vileine opperpriester uit Praag verdween en maakte zo de weg vrij voor een koninklijk decreet dat bloedlasterrechtzaken verbood.

Toen er een Pesach in Praag voorbijging zonder incidenten achtte rabbi Löw de tijd rijp om de Golem weer te laten verdwijnen. Hij gebood Jossele te overnachten op de zolder van de Grote Synagoge en deed ’s nachts het omgekeerde van wat hij gedaan had bij de Moldau. Het levenloze lichaam werd verborgen onder een stapel beschadigde heilige boeken die op zolder lag, waarna de ruimte werd verzegeld. Rabbi Löw verbood bij decreet de toegang tot de zolder van de synagoge en de trap ernaartoe werd afgebroken.

Tot zover het verslag van de gebeurtenissen in De Golem en de wonderbaarlijke daden van de Maharal van Praag, een invloedrijke verhalenbundel die precies een eeuw geleden werd gepubliceerd door de Warschause rabbi Yudl Rosenberg. Maar het verhaal van de Joodse wreker en zijn schepper is bij de meeste mensen waarschijnlijk beter bekend uit modernere versies: De slinger van Foucault van Umberto Eco; Harry Mulisch’ met de Librisprijs bekroonde roman De procedure, waarin het scheppende werk van Löw wordt verbonden met dat van een moderne biochemicus; het Pulitzerprijswinnende epos The Adventures of Kavalier & Clay van Michael Chabon, die een rechte lijn trekt tussen de Praagse Golem en de Amerikaanse superheld waarmee twee Joods-Tsjechische stripmakers tijdens de Tweede Wereldoorlog furore maken. En wie geen literatuur leest, zal de Golem misschien kennen van televisieseries als The Simpsons en The X-Files, uit het Pokémonspel, of anders wel uit een van de vele filmbewerkingen van Frankenstein van Mary Shelley, die zich bij het scheppen van haar monster-uit-dode-materie liet beïnvloeden door de oude Joods-Duitse verhalen over de Golem.

Hoezeer de figuur van de Golem ook verspreid is geraakt over de wereld, zijn wortels liggen in Praag, in het Joodse getto tussen de Moldau (of de Vltava, zoals de Tsjechen zeggen) en het Oudestadsplein. Josefov heet de wijk sinds 1781, naar keizer Jozef II die Joden gelijke rechten gaf. Maar als ik de Kaprova-straat, de grens van de voormalige Joodse wijk, oversteek, vind ik niets terug van het ‘labyrint van stegen en krotten’ dat Mulisch in De procedure beschrijft: ‘Half ondergrondse uitdragerswinkels zijn volgestouwd [...]; de bouwvallige krotten er boven, met hun verrotte muren en hun onbestemde, verzakte aanbouwsels en trappen, bewegen naar voren en naar achteren op het wulpse gezang van hoeren in de bordelen en het psalmodiëren van orthodoxen, dat zich verenigt tot een wonderbaarlijke cantate, alleen hier te beluisteren.’

Josefov anno nu is de ideale toeristenwijk: brede avenues met hoge gebouwen, vele in Art Nouveau-stijl; luxe winkels en restaurants; en voor de cultuurliefhebbers maar liefst zes synagoges, variërend in ouderdom van 750 tot 150 jaar. Dat laatste lijkt een wonder, want ook Praag was tijdens de Tweede Wereldoorlog bezet door de Duitsers en van de rest van het getto is behalve de oude begraafplaats niets over. Maar het is de ironie van de geschiedenis. Anders dan je zou denken is het platgooien van het getto niet het werk van de nazi’s, maar van 19de-eeuwse stadsplanners die korte metten wilden maken met de (vooral door niet-Joden) overbevolkte achterbuurt die door Gustav Meyrink, de schrijver van de roman Der Golem (1915), werd omschreven als een ‘demonische onderwereld waarvan de naargeestigheid zich heeft verspreid en een algehele verlamming in de hand heeft gewerkt.’

Ook aan de redding van de synagoges kleeft een onverwacht verhaal. Ze overleefden de opschoning van de wijk in de laatste jaren van de 19de eeuw en werden veertig jaar later door Hitler gespaard omdat hij in het voormalige getto van Praag het Jüdische Zentralmuseum, bijgenaamd ‘Het museum van een uitgestorven ras’, wilde stichten. De verzamelwoede (lees: systematische roofzucht) van de nazi’s zorgde ervoor dat zich in Praag na de oorlog de grootste collectie judaïca ter wereld bevond; van de Joodse bevolking overleefde slechts eenderde de vernietigingskampen. De bijeengebrachte schatten en de herinneringen aan het getto worden nu gedeeltelijk geëxposeerd in drie synagoges; in een vierde, de Pinkasova aan de zuidkant van de oude Joodse begraafplaats, worden de 77.297 tijdens de Shoah vermoorde Tsjechoslowaakse Joden herdacht. Hun namen, geboorte- en sterfdata zijn in rood en zwart in de muren aangebracht – het grootste grafschrift ter wereld. Ik zal niet de enige zijn die zich, lopende door de gangen, heeft afgevraagd waar de Golem was toen Josefov hem nodig had.

Op zoek naar sporen van de Golem, of liever naar die van zijn schepper, begin ik met een wandeling naar de Klausová, de laat-17de-eeuwse synagoge die is genoemd naar een huizencomplex dat in 1689, toen het in vlammen opging, bekend stond als de hoerenbuurt van het getto. Aan de talmoedschool die er een eeuw eerder gevestigd was, heeft rabbi Löw nog lesgegeven. (Misschien verdiende hij daar de naam waaronder hij bij de Joden bekend staat: de Maharal, een letterwoord voor Moreinu ha-Rav Loew, ‘onze leraar de rabbijn Löw’.) Hij was toen al op leeftijd en had in Moravië en Polen naam gemaakt als rechts- en schriftgeleerde – vooral als kenner van de Joodse mystieke geschriften. Er is een beroemde kroniekaantekening van zijn ontmoeting, in 1592 (ook beschreven door Mulisch), met Rudolf II in de Burcht van Praag. Met de keizer, die behalve in kunst en wetenschap zéér in occulte zaken was geïnteresseerd, sprak hij over de Kabbala, ook toen al, in het pre-Madonnatijdperk, een speeltje voor the rich and the famous. Het kan niet anders of de rabbijn nam de gelegenheid te baat om iets te zeggen over de netelige positie van zijn geloofsgenoten in het getto.

Rabbi Löw, de Maharal (1520-1609), is omgeven door mysterieuze verhalen, waarvan dat over de Golem maar een van de vele is; hij is meer een legende dan een historische figuur. Geen wonder dat Yudl Rosenberg zijn bundel De Golem en de wonderbaarlijke daden van de Maharal van Praag in 1909 gemakkelijk kon presenteren als een document uit de 16de eeuw. (Pas jaren later werd duidelijk dat de zogenaamd door de schoonzoon van Löw geschreven verhalen gewoon verzonnen waren door Rosenberg.) Geen wonder ook dat rabbi Löw weinig concreets heeft achtergelaten in Josefov. In elk geval niet in de barokke Klausen-synagoge, die tegenwoordig een museum van Joodse rituelen is geworden. Je kunt de Rabbi alleen vinden in de belendende souvenirwinkel, en zelfs daar staat hij in de schaduw van de Golem-poppetjes, -sleutelhangers, -boekenleggers, -boeken en presses-papier die de schappen bevolken.

Iets meer geluk heb ik in de volgende synagoge, de Maiselova, die haar naam ontleent aan haar stichter (en tijdgenoot van Löw): de puissant rijke zakenman, burgemeester van de Joodse wijk én minister van Financiën onder Rudolf II, Mordecai Maisel. Het oorspronkelijk in Renaissance-stijl uitgevoerde gebouw, ingrijpend neogotisch gerestaureerd aan het eind van de 19de eeuw, ligt tegen de rand van het voormalige getto en is het onderkomen van een drukbezochte, om niet te zeggen verstikkend volle, tentoonstelling over acht eeuwen Tsjechisch Jodendom – van de eerste Praagse nederzetting in de tiende eeuw, via de pogroms van 1096 tot het Tolerantie-edict van Jozef II (1781). En ja, in de uitstalkast gewijd aan de Maharal ligt een originele acte uit 1581, waarin de aankoop is geboekstaafd van het huis van een zekere Kaffmann door Löw en zijn zoon. Als ik aan een suppoost vraag of dit alles is dat direct aan Löw herinnert, kijkt ze me een beetje meewarig aan. „Als ik u was, zou ik bij zijn graf op het Oude Joodse Kerkhof beginnen.”

Ik had er eigenlijk willen eindigen, in dit zogenaamde ‘Beit Hajim’ (letterlijk: Huis van de Levenden) tussen de Pinkasova- en de Klausová-synagoge. Een klein lapje grond waar tussen de 15de en de 18de eeuw honderdduizend Joden begraven werden, eerst dicht bij elkaar, mettertijd zelfs in twaalf lagen op elkaar – als een soort spiegelbeeld van het altijd overvolle getto. Een spectaculaire plaats waarvan Mulisch in De procedure een sfeervolle beschrijving geeft: ‘De boomwortels zijn door tien lagen met honderdduizenden skeletten gedrongen; steeds als het weer vol was, eeuw in eeuw uit, werd een nieuwe laag klei uit de rivier over het terrein gespreid, waar de grafstenen in steeds dichtere formaties bovenop werden gezet.’ Maar vóór alles is het de plaats waar behalve het Renaissancegraf van burgemeester Maisel de tombe van rabbi Löw te vinden is.

Niet alleen onder de grond is het druk op het Oude Joodse Kerkhof. Om de dagelijkse stoet van duizenden toeristen in het gareel te houden, is met behulp van touwen een verplichte wandeling uitgezet – langs de oude muren, en waar het niet anders kan over de graven. Het stenen monument voor Löw staat op ongeveer driekwart van de route en is gemakkelijk te herkennen, niet alleen door de grootte van de rechtopstaande voorkant, maar ook door de heraldieke leeuw die in het timpaan is uitgehakt. Én omdat er een bordje bij staat natuurlijk: Jehuda Liva Ben Becalel – 1609 – restauraváno 1976. De Maharal had vele namen en de gerestaureerde grafsteen ziet er piekfijn uit. Op alles wat maar enigszins reliëf heeft, liggen kleine steentjes – een Joodse manier om de doden te eren – en vele van die steentjes houden opgevouwen stukjes papier vast: verzoeken en gebeden tot de man die zijn volk als geen ander wist te beschermen tegen de boze buitenwereld. Het is een indrukwekkende plaats van herinnering, zelfs al kun je op je vingers natellen dat de kans dat Löws stoffelijke resten precies 400 jaar na zijn overlijden nog onder de steen liggen, nihil is. Ook dit deel van de dodenakker moet in de loop der eeuwen meermaals zijn omgespit en opgeschud.

Hoe weinig er van Löw ook over is, het is altijd meer dan van zijn beroemdste creatie. Vele verhalen doen de ronde over het einde van de Golem. Volgens Yudl Rosenberg gaf Jossele de geest toen de Maharal de rituelen rondom zijn schepping in omgekeerde volgorde uitvoerde. Maar een tweede legendeschrijver stelde dat de Golem op een andere manier tot leven was gewekt, namelijk door hem een stukje papier (shem) met de naam van God erop in de mond te stoppen; als de rabbi het papiertje er weer uithaalde, werd de Golem een pop van leem. Toen Löw op een avond vóór de Sabbat inderhaast vergat om het papiertje te verwijderen, ontspoorde de Golem en begon hij alles om zich heen kort en klein te slaan. Rabbi Löw onderbrak zijn gebed in de synagoge en slaagde erin om de shem uit de mond van de Golem te halen, waarna die als droog leem in elkaar stortte.

Over één ding zijn de legendes het eens, de resten van de Golem liggen in Josefov, op de zolder van de Alt- Neusynagoge – verboden toegang sinds Löw dat verordonneerde. Het verbod werd honderd jaar later nog bekrachtigd door een andere rabbi die heel stoer de zolder was opgegaan en er lijkbleek en zwijgend weer uit was gekomen. Maar eenmaal in de kleine, compacte Alt-Neusynagoge kom ik erachter dat er helemaal geen opgang meer naar de eerste verdieping is. De zolder mag je alleen van buiten zien, je kunt hem vermoeden achter de bakstenen trapgevel met gotische puntjes. Loop je om het gebouw heen, dan zie je aan de achterkant op flinke hoogte metalen haken, die gebruikt worden door gevelreinigers. Ze waren er nog niet in de tijd van de literair journalist Egon Erwin Kisch, die in 1920 na lang soebatten toestemming kreeg om met een ladder naar de zolder te klimmen. Hij kon niets bijzonders in de ruimte vinden, maar anders dan sommige dakdekkers en timmerlieden in de 17de en 18de eeuw overleefde hij zijn expeditie wel.

Wie dat ook deed, was Ivan Mackerle van de Fortean Times, een blad dat zich specialiseert in het onderzoeken van ‘de wereld van de vreemde verschijnselen’. Hij kreeg in de jaren tachtig toestemming om met groot materieel naar de zolder van de Alt-Neusynagoge te gaan. Het eerste wat hem en zijn team opviel, was een soort heuvellandschap van steen en cement; hij zag onmiddellijk dat dit niet het graf van de Golem was, maar de bovenkant van de gewelven van de synagoge onder de zolder. Tussen het puin en het vuil dat zich op de vloer had verzameld, deed Mackerle onderzoek met behulp van een geofysische radar. Hij vond niets eigenaardigs en concludeerde dat de Golem hier niet begraven lag. ‘This doesn’t mean that nothing was ever there’, schreef hij vorig jaar in een herdenkingsartikel in de Fortean Times.

Ivan Mackerle was extra teleurgesteld omdat hij anders dan de meeste kenners van het Joodse Praag gelooft dat er echt een Golem heeft bestaan. Teruggrijpend op de tweede betekenis van het Hebreeuwse woord golem, ‘gek’ of ‘sukkel’, stelt hij dat de doofstomme dommekracht Jossele geestelijk gehandicapt was en bovendien epileptisch. De Rabbi hield hem met wat kleine klusjes van de straat en gaf hem van tijd tot tijd ook een medicijn – een gewoonte die voeding zou geven aan de legende dat Löw met behulp van een op de tong gelegde shem macht over zijn beschermeling zou uitoefenen. De plotselinge uitbarsting van de Golem tijdens de sabbatsdienst moeten we volgens Mackerle zien als een epileptische aanval. Zijn dood was een gevolg van mislukt ingrijpen van rabbi Löw en zijn begrafenis op een afgesloten plaats een poging van de Joodse gemeenschap om geen slapende honden (lees: de antisemitische autoriteiten) wakker te maken. De verdwijning van de Golem van de rabbi was kortom een klassieke doofpotzaak.

Ach ja. ‘Wie kan zeggen dat hij iets weet over de Golem?’ schreef Meyrink al in zijn succesroman. Het verhaal van de Golem is van iedereen. Van een ghostbuster als Mackerle, van een mystificator als Yudl Rosenberg, van een expressionistische filmer als Paul Wegener (die van het arme schepsel een horrorheld maakte) en vóór alles van de Praagse toeristenindustrie. In het voormalige Joodse getto, maar ook aan de andere kant van de rivier, kom je de Golem op onverwachte plaatsen tegen: in mozaïekvorm op straat, als uithangbord bij restaurants die naar hem zijn vernoemd, als angstaanjagend grote pop naast de Karelsbrug, waar hij reclame maakt voor een gruwelmuseum. Hij wint het in alomtegenwoordigheid gemakkelijk van zijn schepper, die je alleen tegenkomt als een soort Catweazle op de façade van het Art Nouveau-Stadhuis van Praag.

Het is bij een bezoek aan de laatste synagoge van Josefov, de Spaanse, dat ik aanloop tegen de eigenaardigste verbeelding van de Golem. Naast het neo-Moorse gebouw uit de 19de eeuw staat een bijna vier meter hoog bronzen beeld van een man op de schouders van een enorme hoofdloze figuur. De man herken je onmiddellijk, al heeft hij een hoedje op dat zijn scherpe trekken in de schaduw zet: het is Franz Kafka – zonder twijfel de beroemdste vertegenwoordiger van de Praagse cultuur. Maar waarom zit hij in driedelig pak op de Golem en waarom is die zonder hoofd en handen afgebeeld? De sokkel geeft geen uitleg, maar in een reisgids lees ik dat de maker van het vijf jaar oude monument zich heeft laten inspireren door het lugubere verhaal ‘Beschrijving van een gevecht’ van de jonge Kafka. Hierin gebruikt de ik-figuur een kennis die gezellig met hem door Praag wil wandelen als rijdier en beult hij hem af totdat hij voor dood blijft liggen. Met de Golem heeft het verhaal (net als alle andere verhalen van Kafka) niets te maken en het Kafka-monument moeten we dan ook zien als vrije associatie van de kunstenaar. In het lege pak van de Golem, en vooral in het gat op de plaats van de nek, staat het ons vrij alle fantasieën over rabbi Löws wonderklomp te projecteren. Plus een laatste onontkoombare vraag: wat had een schrijver als Kafka niet kunnen doen met een thema als de Golem?

Dit is het derde deel van een serie over literair-historische helden die de Europese cultuur hebben bepaald. Op de laatste vrijdag van mei: Macbeth.