Pas laat overwint Jaap Kaal de saaiheid

Jaap Kaal: ‘Zelfportret’ (ca. 1959, olie op karton op triplex, 82x61,5 cm.)
Jaap Kaal: ‘Zelfportret’ (ca. 1959, olie op karton op triplex, 82x61,5 cm.)

Tentoonstelling Jaap Kaal (1893-1960). Een schilder in dialoog met de traditie. T/m 14 juni, Museum Henriette Polak, Zaadmarkt 88 in Zutphen. Open di-zo 11-17 uur.Inl: museumhenriettepolak.nl***

Wie de schilderijen van Jaap Kaal (1893-1960) voor het eerst ziet, schreef zijn leerling Adriaan Bosboom in 1965, „zal waarschijnlijk niet meteen in vuur en vlam raken, niet onmiddellijk de grote kwaliteit ervan ervaren. Zijn werk heeft in hoge mate de eigenschap dat het zich niet opdringt, of minder negatief, dat het zich slechts langzaam wil laten ‘veroveren’.” Het citaat is te vinden in een vorig jaar verschenen boek over Kaal. De bezoeker van de tentoonstelling in het Museum Henriette Polak in Zutphen is gewaarschuwd.

Die tentoonstelling biedt een dwarsdoorsnede van Kaals betrekkelijk kleine oeuvre. Het werk van Kaal is in de afgelopen jaren in kaart is gebracht door de gepensioneerde hoogleraar muziekwetenschap Paul op de Coul. Zijn ouders waren bevriend met de schilder en hij wil – middels het boek, deze tentoonstelling en de Stichting Jaap Kaal – diens werk behoeden voor de vergetelheid. Had iedere dode schilder maar zo’n levende promotor.

Kaal was een laatbloeier. Zijn vroege werk, gemaakt rond 1920, is keurig maar onuitgesproken. We zien voor de hand liggende schilderachtigheden als een molen, een ophaalbrug en een pijprokende oude man. Harde schaduwen op een zonbeschenen groene gevel ergens in de Zaanstreek, hoewel dat al een beklijvender beeld is. In de jaren dertig en veertig is er een Rembrandtesk tussenstadium. Kaals penseelvoering wordt losser, zijn schilderijen worden stemmiger en minder kleurrijk. Een gelige gloed trekt geportretteerden uit een donker bruin of groen. In het boek wordt gewezen op de invloed die hij ondervond van Constant Permeke, Matthijs Maris en de schilders van de Amsterdamse School.

En dan staat, in de loop van de jaren veertig, eindelijk de echte Jaap Kaal op. Hij doet zijn naam eer aan door vormen en kleuren steeds verder te vereenvoudigen, tot er iets bíjna saais ontstaat dat – inderdaad – langzaam veroverd moet worden. Je moet jezelf dwingen om voor elk schilderij even stil te staan. Een of twee versnellingen terug. Tijd nemen om thuis te geraken in de dikke lagen grijs, bruin, zwart en olijfgroen. Daarbinnen ga je dan ineens een witte kraag waarderen, of het oranjegeel van een vrouwengezicht. Subtiliteiten.

In het midden van het schilderij Sloot bij Goudastraat (1956) loopt een brede sloot in perspectief weg. Aan weerszijden staan er grijze, stugge huizen met de rug naartoe gekeerd en tussen die ruggen door schieten er twee rechte donkere bruggetjes over het spiegelende water. Alle vormen zijn zwart omlijnd.

Drie decennia eerder schilderde Kaal een vergelijkbaar motief totaal anders. In Weerspiegeling (1920) staat een brugleuning, van opzij gezien, hagelwit te flonkeren in de zon. Op de oever zijn er heldere groenen, een rood dak, een blauwe schaduw. Het water weerspiegelt een helder blauwe lucht. Dit is een vrolijker, letterlijk zonniger schilderij, met een levendiger compositie. De late Sloot bij Goudastraat is symmetrisch, hoekig, simpel. Grauw ook, op het eerste gezicht. Lichtloos. Maar bekeken in de lagere versnelling is het toch óók een levendig beeld. De lijnen in de huizenblokken staan over het water heen met elkaar te praten, het achterste bruggetje is een echo van het voorste en de ingetogen kleuren zijn vol zwemen en schakeringen. Jaap Kaal stileerde niet om modern of artistiek te doen, maar om zijn beelden sober en sterk te maken.

Sober en sterk, zo staat de schilder ook op een van zijn laatste zelfportretten. Als een gebeeldhouwde man. Een groot vlak zwarte trui tegen een groot vlak bruingroene achtergrond, een scherpe witte kraag daarboven en dan een vereenvoudigd, hoekig gezicht in lijkkleuren, maar met een alerte, doordringende blik. Dag, meneer Kaal. Aangenaam kennis te maken.