De VS flirten met Peking-consensus

De VS stellen hun eigen nationale belangen voorop. Ze lijken China wel, meent Jonathan Holslag. Washington is niet langer de liberale vaandeldrager.

Voor regeringsleiders in Peking was het een déjà vu toen Washington tijdens de G20-top begin april aan de internationale schandpaal werd genageld voor zijn nieuwe protectionisme. Want in het streven naar nationale economische stabiliteit maakt de Obama-regering steeds vaker gebruik van dezelfde maatregelen van overheidsinterventie die China de voorbije jaren heeft gepromoot. Terwijl zij nog steeds profiteert van de internationale markt, neemt de Amerikaanse overheid noodgedwongen de teugels in handen: door meer controle over de financiële sector, het aansturen van onderzoek en ontwikkeling in de energiesector en selectieve importbeperkingen. Deze zaken maken evenzeer deel uit van Obama’s stimulusplan als van Pekings economische herstelpakket.

Uiteraard zijn daarmee de spanningen tussen de VS en China over o.a. handelstekorten en technologiediefstal niet van de baan. Maar China is duidelijk tevreden dat Amerika – net als Peking zelf – zijn nationale belangen bovenaan de agenda heeft geplaatst. In plaats van de tanden te breken op mensenrechtenkwesties en democratie, probeert Washington nu pragmatische allianties te vormen in functie van zijn economische noden. Washington is niet langer de liberale vaandeldrager.

De VS flirten in feite met de ‘Peking-consensus’, die economische ontwikkeling bovenaan plaatst en voorschrijft dat staten actief de economische groei moeten sturen zodat de nationale stabiliteit erop vooruitgaat. De aard van het politieke systeem is niet meer van belang; wel de mate waarin het systeem in staat is om het welzijn van zijn inwoners te verzekeren. „Wanneer men mensen een beter leven wil geven, moet men meer inzitten over de inhoud dan de vorm”, zo stelde Obama voor zijn inauguratie. Op diplomatiek niveau houdt dit in dat de samenwerking wordt gestuurd door het nationale belang. Dit pragmatisme zorgt ervoor dat het niet anders kan dan samenwerken met de Chinese leiders en de autocratische Golfstaten: de belangrijkste financiers van Obama’s reddingsoperatie. Daarnaast moet er ook worden onderhandeld met Iran en Rusland om de kosten van de oorlogen in Afghanistan en Irak te drukken. Deze nieuwe vorm van realisme is meer dan een herziening van de desastreuze neoconservatieve krachtpatserij van de Bush-administratie. Het is een poging van een tanende macht om zijn steeds beperktere middelen op een zo economisch mogelijke manier aan te wenden.

De laatste twee decennia geloofden Washington en zijn Europese bondgenoten dat ze de rest van de wereld konden ‘socialiseren’ met hun economische en politieke principes. Landen als China werden verankerd in een web van multilaterale organisaties en onderworpen aan allerlei voorwaarden. Vandaag heeft het Westen niet meer de hefbomen tot zijn beschikking om deze condities af te dwingen. De meeste ontwikkelingslanden gebruiken internationale organisaties juist om alternatieven te zoeken voor de principes die werden opgelegd door het Westen. Binnen de Verenigde Naties en de Wereldhandelsorganisatie is China de grote gangmaker in het formuleren van nieuwe beleidsvoorstellen, die niet zelden lijnrecht ingaan tegen de traditionele positie van het Westen. We gaan van een unipolaire wereldorde naar een orde met meerdere lokale machtsblokken. In plaats van een eenzame Amerikaanse politieman, zullen de andere spelers een prominentere rol spelen in het controleren en stabiliseren van hun eigen achtertuin. Rusland kan zijn ding doen in de Kaukasus. Indien de generaals in Birma hun verstand zouden verliezen, is het aan India en China om dit probleem op te lossen.

In deze multipolaire wereldorde is nieuw realisme geboden: eigen nationale belangen eerst en enkel samenwerking op basis van voorzichtig pragmatisme. Deze verandering in Amerikaans beleid zal onvermijdelijk de westerse ‘liberale as’ uithollen. Amerika zal zich aanpassen aan nieuwe regels, maar Europa heeft simpelweg niet de capaciteiten en het leiderschap om deze koerswijziging tot stand te brengen. Europa’s strategische relevantie is zelfs binnen het trans-Atlantisch partnerschap voorbestemd om verder te verzwakken.

Of Amerika in de toekomst zijn invloed zal kunnen uitbreiden hangt niet langer af van zijn morele imago, maar van de vraag of het in staat is om zijn economie opnieuw te starten en een centrale rol te spelen in de vorming van nieuwe allianties. Hetzelfde zal gelden voor andere machten. Geld om macht te verwerven en macht om geld te verwerven.

De ‘Peking-consensus’ is geen garantie voor stabiliteit. Overlappende invloedssferen en bevroren conflicten kunnen weer een bron worden van ernstige conflicten. Er zal zelfdiscipline en terughoudendheid aan de dag moeten worden gelegd om een precair evenwicht te behouden.

Jonathan Holslag is onderzoeker aan het Brussels Institute of Contemporary China Studies (BICCS) van de Vrije Universiteit Brussel.