De Middeleeuwen – helemaal de wereld van Tolkien

Door De gang naar Canossa (Athenaeum-Polak & v.Gennep, €29,95), een prachtig boek van Tom Holland aldus Hendrik Spiering, krijg je begrip voor de middeleeuwse heilige moordlust.
Door De gang naar Canossa (Athenaeum-Polak & v.Gennep, €29,95), een prachtig boek van Tom Holland aldus Hendrik Spiering, krijg je begrip voor de middeleeuwse heilige moordlust.

Tom Holland: De gang naar Canossa. De westerse revolutie in de elfde eeuw. Vert. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 474 blz (geb.). € 29,95

Een mooie, maar wrede tijd, die vroege Middeleeuwen. Ze eindigen met de Eerste Kruistocht, een krankzinnige onderneming van tienduizenden ridders om Jeruzalem te veroveren. (Die verovering lukte nog ook, in het jaar 1099 – na een reeks wanhopige, maar geslaagde gevechten tegen de Turken.) En ze beginnen met de machtige Frankische hofmeier Pepijn de Korte die in 751 aan de paus vraagt of het toegestaan is om de slappe koning Childerik III af te zetten. En of hij Childerik in een klooster mag opbergen. De paus zegt ‘ja’. Door dat antwoord wendt de paus zijn blik naar het Westen, weg van Constantinopel dat in Italië steeds zwakker wordt. In het Westen is de Romeinse tijd dan voorgoed voorbij.

Over deze te weinig beschreven periode gaat Tom Hollands prachtige geschiedvertelling De gang naar Canossa. Het is een razende opeenvolging van oorlogen en morele herbewapening, van Noormannen die rijken stichten in Kiev, Normandië en Sicilië, van priesters die grootse daden voor God willen doen en van keizers die oude dromen najagen.

Holland laat in een aantal goed gekozen portretten zien hoe mensen toen (vaak met grof geweld) de wereld vorm gaven die direct aan onze industriële tijd vooraf ging en waarin we nog altijd een beetje leven: de zachtaardige abt Odo van Cluny (878-942) die van zijn klooster een steenrijke afspiegeling van de hemel maakte. De fanatieke kardinaal Petrus Damianus (1006-1072) die het liefst als kluizenaar leefde, maar de drijvende kracht werd achter de kerkhervorming. De Ottoonse keizers in de 10de eeuw, die eerst om de macht vochten op de puinhopen van het Karolingische systeem en later tegen invallende Hongaren. En de jonge keizer Otto III die in Zuid-Italië tegen islamitische zeerovers vocht, maar ten onder ging in de brandende zon.

De rode draad die Holland door alle verhalen over daadkrachtige keizers, heilige kloosters en intrigerende pausen spint, is de verwachting van de spoedige terugkeer van Jezus: de Eindtijd (die ook in de titel van het Engelse origineel, Millennium, terugkomt). Die verwachting zou veel van de daadkracht in deze duistere tijden verklaren. De ziel moest gezuiverd. Holland neemt de religieuze motivaties van de Middeleeuwers volkomen serieus, even serieus als hun ijskoude machtspolitiek, en dat maakt zijn verhaal heel realistisch en aannemelijk.

Neem Willem de Veroveraar (1027- 1078), die als hertogszoon opgroeit in het oude zeeroversnest Normandië en voor wie oorlogvoeren ‘zijn voornaamste plicht’ is. Maar ook twijfelde hij er niet aan dat hij het werk van God verrichtte, zelfs niet in zijn krijgsbedrijf. Uiteindelijk verovert Willem – in 1066 – met warme steun van de paus Engeland. En hij sticht er vele kloosters en kerken.

De belangrijkste kritiek is dat Holland in feite de brave christelijke praatjes uit de middeleeuwse bronnen (die hij allemaal gelezen lijkt te hebben) overneemt. Want alles wat we over deze tijd weten, is opgeschreven door kloosterlingen die meestal verhalen uit de derde of vierde hand navertelden. Daar doorheen kijken, zoals een sceptisch historicus betaamt, doet Holland niet. Misschien is dat de prijs voor een goed verteld, niet onaannemelijk geschiedverhaal.

Volgens Holland gaat het hier om een cruciale tijd. Aan de eindtijdverwachting in deze periode zouden we de grote individuele vrijheid in de westerse samenleving te danken hebben. Want onze huidige vrijheid is mogelijk door de scheiding tussen kerk en staat. En die hebben we te danken aan de ruzies tussen de paus en de Duitse keizer in de 11de eeuw, met als hoogtepunt de keizerlijke smeekbede om genade in de sneeuw voor de poort van het slot in Canossa.

Die ruzies zijn ontstaan door het nieuwe streven naar zuiverheid van de katholieke kerk, die toen ineens niet meer wilde dat priesters vrouwen hadden en dat bisschoppen benoemd werden door de keizer of andere ongewijde types. Dat streven naar zuiverheid ontstond volgens Holland omdat monniken en priesters, maar ook veel gelovige edellieden, orde op zaken wilden stellen in de aanloop van het spoedige Einde der Tijden.

Dat al die voorspellingen niet uitkwamen, niet in 801, niet in 1000 en ook niet in 1030, en evenmin in 1033 als in al die andere voorspelde jaartallen, maakt eigenlijk niet zoveel uit, schrijft Holland. Men kreeg de smaak te pakken om de rauwe gewelddadige werkelijkheid ten minste een beetje te modelleren naar de vredigheid van het Hemelse Jeruzalem.

Het eerste hoofdstuk van Hollands adembenemende boek heet ‘De koning keert terug’, en die expliciete verwijzing naar het laatste deel van J.R.R. Tolkiens In de ban van de Ring is volkomen terecht. De wereld in Hollands Gang naar Canossa ademt dezelfde morele inspiratie en heldhaftigheid als het Midden-Aarde van Tolkien, maar dan zónder de elfen en zonder dat gedoe met die Ring.

Zie ook de televisiecolumn over ’De gang naar Canossa’ op nrc.tv (nrc leest)