Nieuwe nationalisten zijn gepolijster, maar even radicaal

De rechts-radicale NPD staat moreel en financieel aan de afgrond. Maar Duitsland is nog niet van zijn neonazi’s af.

Jonge nationalisten nemen het stokje graag over.

Ook voor de NPD is 2009 een ‘superverkiezingsjaar’, met lokale, regionale en landelijke verkiezingen. Maar de Nationaldemokratische Partei Deutschlands, die bij de meeste Duitsers herinneringen aan ’s lands bruine nazi-verleden oproept, heeft de laatste tijd weinig reclame voor zichzelf gemaakt. Het laatste partijcongres van de bekendste rechts-radicale partij van Duitsland stond in het teken van interne versplintering en acute geldnood. Dit tot leedvermaak van de gevestigde politiek, die enkele jaren geleden vruchteloos trachtte de NPD een verbod op te leggen wegens ongrondwettelijke activiteiten. Nu kijkt men verheugd naar de zelfdestructie.

Het verbod, in 2001 aangekaart door de vorige regering, dreef de NPD in de positie die ze graag inneemt: die van underdog. De publiciteit over het verbod werd vakkundig te gelde gemaakt. Boze buitenwereld probeert kleine volkspartij te verbannen. Met die boodschap kon stemmenwinst worden behaald in Saksen en Mecklenburg-Vorpommern.

Na de winst in deze deelstaten werden de nieuwe Bondslanden in de voormalige DDR tot „frontgebied” van de NDP verklaard. Volgens Thomas Heppener van het Berlijnse Anne Frank Centrum bestaat het NPD-electoraat hier voornamelijk uit ouderen die teleurgesteld zijn in het herenigde Duitsland en hun verlangen naar een krachtige leiding à la de DDR bij de rechts-radicalen bevestigd zien. Tot de kiezers behoren ook werkloze jonge mannen, die de partij gebruiken „als uitlaatklep”.

Maar door intern geruzie is de electorale vooruitgang voorlopig tot stilstand gekomen. Partijvoorzitter Udo Voigt, een 56-jarige die zichzelf als „reserveofficier bij de luchtmacht” aanprijst, wordt door zijn achterban nog geduld. Maar anderen lopen zich warm voor zijn functie.

De pers werd geweerd op de bijeenkomst in het Berlijnse stadsdeel Reinickendorf, waar na veel gedoe een ruimte kon worden gehuurd. Geen zaalexploitant wil de partij als gast hebben. De neonazi’s trekken onrust aan -- voor zover ze die zelf niet teweegbrengen.

Journalist Frank Jansen van de Berlijnse krant Tagesspiegel schreef naar aanleiding van het congres hoe een NPD’er een journalist uitmaakte voor „jodenknecht”. Een ander congreslid zei, wijzend op de toen nog aanwezige verslaggevers: „allemaal ophangen”. Na een motie moest de pers de zaal verlaten.

Oorzaak van al die spanning is de financiële chaos in de partij. De NPD blijkt voor tonnen met partijsubsidies te hebben gefraudeerd en heeft van het Bondsdagbestuur een boete opgelegd gekregen van 2,5 miljoen euro. De NPD-chef in Mecklenburg-Vorpommern, Udo Pastörs, beaamde dat zijn partij praktisch failliet is en „in een existentiële crisis” verkeert.

Maar de NPD heeft eerder crises doorgemaakt. Ze doet al 45 jaar mee in de (West-)Duitse politiek en is meermaals op sterven na dood geweest. Een nieuwe lichting rechts-radicale politici staat te trappelen. Ze zijn slim genoeg om zich te distantiëren van het neonazistische imago en nemen afstand van het financiële wanbeleid en degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn.

Een van hen is de 34-jarige Jürgen Gansel, NPD-parlementslid in Saksen. Tijdens een gesprek in Dresden, waar het parlement zetelt, zei Gansel tegen deze krant dat zijn strategie zich niet richt op de Bondsdagverkiezingen van dit jaar, maar op die van 2013. Hij beschouwt „heel Midden-Duitsland” als zijn werkgebied, schuwt neonazistische uiterlijkheden en zet in op een populistisch getinte familiepolitiek, nationalistisch van aard en gericht tegen vreemdelingen en de globalisering.

Gansel, die zich als afgestudeerd historicus en politicoloog als partijtheoreticus profileert, ziet de „omwenteling”, waardoor Adolf Hitler aan de macht kon komen, als een positief feit in de Duitse geschiedenis. Gansel wil een „nieuwe blik” op de nationaal-socialistische jaren, onder het motto: „Het was niet allemaal zwart-wit. Er zijn grijstinten”. En hij appelleert aan een weinig verwoord sentiment, dat niettemin in rechts-radicale kring in Duitsland sterk leeft: „Er is geen erfschuld. De huidige generatie Duitsers wordt ten onrechte moreel gegijzeld voor wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd”.

In de Duitse pers komen mensen als Gansel nauwelijks aan het woord. Ze worden genegeerd, of, zoals Gansel zelf zegt: „gecriminaliseerd dan wel gedemoniseerd”. Hun denkbeelden, meestal geventileerd op verkiezingsbijeenkomsten, kunnen lang een eigen leven leiden. Er is een publiek dat er ontvankelijk voor is.

Gerekend over de Bondsrepubliek stelt het weinig voor, maar op sommige sociaal zwakke plaatsen in het oosten blijkt de NPD verrassend genoeg al jarenlang een kiezersaanhang van 10 tot 20 procent te hebben.

Vanuit Saksen – waar de partij het meest te verliezen heeft – wordt aan een coup tegen de huidige partijleiding gewerkt. Uit de „Saksische weg” moet een nieuwe NPD ontstaan: gepolijster, maar niet minder radicaal.