De middenklasse als project

De Amerikaanse president had zich nooit voorgenomen de banken te redden, en evenmin de auto-industrie. Je leest er niets over in Audacity of Hope en in de verkiezingscampagne ging het er ook niet over. Wall Street en Detroit liepen hem in zekere zin tegen het lijf. En nu dreigt het zijn hele ambitieuze programma te verstieren.

Dat hele programma was gebaseerd op de introductie van faire verhoudingen – ook daarom is het voor Europeanen zo belangrijk. Ongelijkheid was in Amerika volledig uit de hand gelopen: een fractie van de bevolking bezat het halve vermogen van het land. De inkomensverschillen deden denken aan de extravagante periode van rond 1900. In 2006 verdiende de top van het Amerikaanse bedrijfsleven (bij beursfondsen) 350 keer zoveel als het gemiddelde van het personeel. In de jaren zeventig was dat 30 keer zoveel geweest. „Er is iets mis wanneer we het speelveld zo zwaar ten gunste van zo weinigen inrichten”, zei Obama nog in zijn inaugurele toespraak.

Gelijkheid valt niet te organiseren. Mensen en samenlevingen worden er ook niets wijzer van en de ideologischer variant – het socialisme – heeft zich dermate gediscrediteerd dat zelfs in de huidige deconfitures praktisch niemand ernaar verlangt. Maar extreme ongelijkheid ondermijnt elke samenleving. „Als alle rijkdom in een samenleving zich concentreert op een klein aantal mensen, dan is zo’n samenleving niet stabiel”, schreef Adam Smith al in zijn nu wat afstandelijk klinkende proza (The Theory of Moral Sentiments). Bij extreme ongelijkheid gaan mensen in andere werelden leven. De rijken verliezen dan het belang bij een goed werkend schooltje om de hoek. Ze kunnen hun eigen agenten huren, hun eigen vervoer, hun eigen vermaak, hun eigen sportclub. Dit verschijnsel heeft zich vooral in Amerika nu al vele jaren gemanifesteerd en de gated communities zijn een vertrouwd onderdeel van het straatbeeld geworden in die eindeloze buitenwijken van het land. Over dit verschijnsel verschenen ook veel waarschuwende studies, maar dat had lange tijd weinig invloed. Het dominante marktfundamentalisme ontnam het zicht erop. Vrijetijdsbladen en -programma’s als Town&Country portretteerden de ene miljardairsfamilie na de andere. Zonder humor, zonder knipoog mochten de lezers en kijkers meewandelen in de domeinen en langs de trofeeën van de nieuwe beroemdheden, die er vrolijk op los babbelden. Het is inmiddels ook overal in de wereld een belangrijk onderdeel van het publicitaire vermaak geworden: je vergapen aan dure gekkigheden van anderen.

Het programma van Obama mikt op revitalisering van de middenklasse. Het is geen revolutie, maar wel een koerswijziging. Gezondheidszorg moet voor iedereen toegankelijk worden, het onderwijsniveau moet omhoog, energie wordt duurder. Met deze drie sectoren stuurt een Amerikaanse overheid op grofweg eenderde van het nationaal product. De middenklasse moet een gevoel van veiligheid en relevantie terugkrijgen. Daarnaast gaat ook de belasting voor inkomens boven de 250.000 dollar omhoog, ongeveer naar het niveau dat de conservatieve president Ronald Reagan destijds redelijk vond. Wel een koersverlegging dus, maar niet bepaald hemelbestormend en om Obama nu ‘een socialist’ te noemen, of ‘een saboteur van het kapitalisme’, zoals Republikeinen dat nu al een paar weken hardnekkig doen, lijkt een beetje overdreven.

Vergeleken met deze ambities zijn de banken en de auto’s in feite een bijkomstigheid. Maar wel een uiterst hinderlijke bijkomstigheid. De president weet er niet goed raad mee. In elk geval hebben de bankencrisis en de autocrisis geen plek gekregen in dat revitaliseringsprogramma van de middenklasse. De bankencrisis is uitbesteed aan de minister van Financiën, Tim Geithner, en economisch adviseur Larry Summers. Het gaat moeizaam, met vooral vrij technische probeersels om het huidige bankensysteem te redden, inclusief de bestaande eigendomsverhoudingen daarachter. De belastingbetaler neemt het uiteindelijke risico en diezelfde belastingbetaler begint de herstelwerkzaamheden meer en meer te wantrouwen. Waren trouwens die Geithner en Summers ook niet zélf onderdeel van het systeem? Kreeg Larry Summers vorig jaar ook niet 5,2 miljoen dollar van een hedgefonds voor advieswerk en 2,7 miljoen van een paar banken voor spreekbeurten? Op veel internetsites worden de wenkbrauwen gefronst en deze getallen genoemd. (Ze kloppen trouwens ook.) Er hangt niet alleen veel wantrouwen in de lucht, maar op een of andere manier passen de reparaties op Wall Street niet in het politieke programma van de president. En dit valt op den duur ook door Obama zelf niet weg te poetsen met verontwaardiging over bonussen – hoe terecht dat in diverse gevallen ook moge zijn.

Met de auto-industrie speelt de president misschien nog meer met vuur. Hij heeft er opvattingen over, bemoeit zich er nadrukkelijk mee en bij het komende faillissement van General Motors kijkt iedereen naar de Amerikaanse president. Hoe nu verder? Alsof hij met een paar welgemeende tips over zuiniger auto’s een hele auto-industrie uit het slop zou kunnen halen? Zo loopt hij het levensgrote risico dat de industriële woestijn van Detroit straks ook zijn woestijn wordt.

Een presidentskandidaat wordt gekozen om zijn bedoelingen, een president wordt afgerekend op zijn daden. Om banken en auto’s was het Obama nooit te doen, maar ze liggen nu toevallig op zijn pad en dreigen de weg te blokkeren naar de middenklasse-als-project. Dat zou jammer zijn. Want het zou – ook voor Europa – zo nuttig zijn om via Obama te ontdekken of en hoe een middenklasse valt te revitaliseren.

Reageren kan op nrc.nl/knapen