Die recessie raakt Rotterdam hard

Veel laagopgeleiden, veel probleemwijken, een haven die ernstig wordt getroffen.

In Rotterdam dreigt weer een hele generatie verloren te gaan. Een tikkende tijdbom?

Fotograaf Mick Otten heeft middenstanders in de Rotterdamse probleemwijk Bergpolder geportretteerd voor hun winkel, zoals bijvoorbeeld de ijzerhandel op de Schieweg en de Russische supermarkt en de kadospeciaalzaak aan de Bergselaan. Alle ondernemers hebben hun eigen foto in hun etalage opgehangen. Meer foto’s zijn te zien op bergpolder-krachtwijk.blogspot.com. Foto’s Mick Otten
Fotograaf Mick Otten heeft middenstanders in de Rotterdamse probleemwijk Bergpolder geportretteerd voor hun winkel, zoals bijvoorbeeld de ijzerhandel op de Schieweg en de Russische supermarkt en de kadospeciaalzaak aan de Bergselaan. Alle ondernemers hebben hun eigen foto in hun etalage opgehangen. Meer foto’s zijn te zien op bergpolder-krachtwijk.blogspot.com. Foto’s Mick Otten Otten, Mick

Achter de voordeur is een oranje kartonnetje bevestigd waarop met zwierige letters een boodschap is geschreven: ‘Wegens omstandigheden helaas gesloten’. Maar aan de overzijde van café-galerie Anders aan de Rodenrijselaan weet de eigenaar van Het Broodwinkeltje wel beter. „Dat is Rotterdams voor: we krijgen het financieel niet meer rond en sluiten de tent.” En zo rukt in Rotterdam-Noord de leegstand op, constateert hij enigszins verbitterd.

In Rotterdam zullen meer faillissementen en ontslagen vallen. In een sociaal-economisch toch al kwetsbare stad, die op de landelijke lijst van veertig probleembuurten koploper is met zeven wijken. „Wat we er de afgelopen jaren met pijn en moeite hebben afgehaald, dreigt er in no time weer bij te komen”, verzucht wethouder Dominic Schrijer (werk, sociale zaken en grotestedenbeleid, PvdA) op zijn werkkamer in het stadhuis.

Om de ergste pijn van de economische crisis te verzachten, heeft de gemeente besloten om 323,5 miljoen euro versneld in de lokale economie te pompen; geen stad in Nederland die zo ruimhartig de portefeuille trok. Maar de nood is dan ook hoog, benadrukt het stadsbestuur. De stad is in hoge mate van de haven afhankelijk en de ingestorte wereldhandel treft de haven hard. Rotterdam wordt zodoende harder geraakt dan de Nederlandse economie als geheel, luidt de onheilspellende boodschap van burgemeester Ahmed Aboutaleb.

En dat is maar een deel van het verhaal, zegt socioloog Jeroen van der Waal van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij doet promotie-onderzoek naar de sociale gevolgen van de globalisering voor Nederlandse steden. Vergeleken met de regio’s rond Amsterdam en Utrecht blijft Rotterdam volgens hem achter. „Die twee regio’s hebben wat Rotterdam mist: een grote en geavanceerde dienstverlening, die veel werkgelegenheid genereert, zowel aan de boven- als de onderkant van de arbeidsmarkt.”

De haven is ook niet de gedroomde banenmotor van Rotterdam, zegt Van der Waal. De „robuuste economie” bestaat uit zware havenindustrie en die levert door de voortschrijdende automatisering weinig directe banen op. „De haven zelf schept vooral indirecte werkgelegenheid, maar die komt niet zozeer ten goede aan Rotterdam”, zegt Van der Waal, die zelf vijf jaar in de haven werkte bij een distilleerder. Rotterdam is bovendien vooral een stad van het midden- en kleinbedrijf: conjunctuurgevoelig, met relatief weinig banen.

Van der Waal voorspelt dat „Rotterdam mondiaal gezien tot de verliezers van de kredietcrisis zal gaan behoren”. Amsterdam en Utrecht beschikken over een arbeidspotentieel dat, zodra de economie aantrekt, sneller en makkelijker de aansluiting zal hervinden met de postindustriële en hooggeavanceerde kenniseconomie, zegt Van der Waal.

In Rotterdam is daar geen sprake van, beseft ook wethouder Schrijer. Als havenstad kent Rotterdam van oudsher een grote instroom van laaggeschoolde arbeiders, met als gevolg dat vraag en aanbod tot op de dag van vandaag slecht op elkaar aansluiten. Op- en bijscholen luidt dan ook Schrijers devies, teneinde te voorkomen dat Rotterdam weer afglijdt tot de stad die het midden jaren negentig was: met 60.000 werklozen, eenvijfde van de beroepsbevolking.

Niet werken is geen optie meer, stelt Schrijer. Vooral in de (semi-)publieke sector (zorg, onderwijs, politie) is „nog voldoende werk”. Hij zegt te willen voorkomen dat de stad in „een oude en onvergeeflijke fout” vervalt. „Bij de massaontslagen van begin jaren tachtig werden mensen met een zak geld naar huis gestuurd, waar ze vervolgens achter de geraniums verpieterden op kosten van de staat. Dat asociale beleid – zo noem ik die menselijke kapitaalvernietiging – verdient geen navolging. Elke dag achter de geraniums vergroot de afstand tot de arbeidsmarkt met een factor twee. Omscholen is echt een must.”

Volgens Van der Waal heeft Rotterdam inderdaad geen keuze. Maar de stad mag geen wonderen verwachten van het om- en bijscholen van „mensen met weinig vaardigheden”, meent hij. „Dat houdt een keer op. Die archetypische arbeider – net ontslagen en ergens in de vijftig – staat je straks echt geen iPhone te verkopen in een of andere hippe elektronicawinkel. Dat is een illusie.”

De vraag is of Rotterdam door de recessie niet opnieuw opgezadeld zal worden met ‘een verloren generatie’. In navolging van Schrijer constateert ook Van der Waal dat de grootste klappen aan de onderkant van de arbeidsmarkt zullen vallen. „Bij diegenen met tijdelijke contracten, van wie de meesten migrant zijn en in die beruchte achterstandswijken wonen. De kans is groot dat je die groep nooit meer aan de slag krijgt, hoe hard dat misschien ook mag klinken.”

In Rotterdam-Zuid is van een sociale implosie vooralsnog geen sprake, zegt voorzitter Dick Lockhorst van de deelgemeente Charlois. Toch vreest hij „de grote klap”, want dit kon wel eens de stilte voor de storm zijn. Hoop put hij uit „die enkele ondernemer die het zelfs nu nog aandurft een eigen zaak te openen”.

Van ‘een tikkende tijdbom’ wil Schrijer evenmin spreken. „Dat is een wel hele beladen typering.” Toch ontkomt ook hij niet aan de conclusie: met name in de achterstandswijken zou de recessie wel eens „een ontwrichtende uitwerking” kunnen hebben. Met andere woorden: verdere sociale verloedering van de al kwetsbare delen van de stad.

Neem een wijk als Bloemhof, in het hart van Rotterdam-Zuid, zegt Schrijer. „Zo’n 15 procent van de bewoners zit in de bijstand en nog eens 25 procent in de WAO. Wie te midden van zo veel inactieve mensen opgroeit, heeft niet zo’n best toekomstperspectief. Niet werken en op een andere manier in je levensbehoeften voorzien, vaak in het illegale circuit, worden dan de norm.”

Als bestuurder in de deelgemeente Charlois maakte Schrijer de donkere jaren negentig mee, toen – ondanks een florerende economie – de criminaliteit regeerde in de Millinxbuurt. In de aangrenzende Dordtselaan vlogen de koelkasten en de vuilniszakken van drie hoog naar beneden. Dat schrikbeeld zit diep in Rotterdam. Het groeiende onbehagen leidde uiteindelijk in 2002 tot een electorale aardverschuiving zonder weerga in Nederland.

Maar kredietcrisis of niet, de recessie geeft Rotterdam geen aanleiding tot een radicale beleidswijziging: noodlijdende bouwers en projectontwikkelaars kunnen een beroep doen op de gemeente, grote infrastructurele projecten worden naar voren gehaald. „Het wegwerken van de achterstanden, dat is en blijft onze opdracht”, zegt Schrijer.

Oftewel: het herstellen van de eigen fouten. Decennialang heeft Rotterdam de sociale zekerheid en de sociale woningbouw „geaccommodeerd”, weet zowel Schrijer als Van der Waal. Nog altijd betaalt de stad daar de tol voor. Vooral dankzij de scheve woningvoorraad (76 procent sociale woningbouw) fungeert Rotterdam als een magneet op laagopgeleiden. Sommige delen van de stad, vooral ‘op’ Zuid, behoren niet voor niets tot de goedkoopste vierkante meters van Nederland. Om die vicieuze cirkel te doorbreken, klampt de stad zich nu vast aan de aloude wijsheid die wil dat onder druk alles vloeibaar wordt.

Aan de onderkant van de arbeidsmarkt probeert een speciaal daartoe aangestelde Arbeidsmarktmeester, Aad van Nes, het zogeheten ‘granieten bestand’ van langdurig werklozen open te breken. Al spreekt de oud-directeur van de stadsreinigingsdienst Roteb zelf liever van „tijdelijk arbeidsonbekwamen”. Van Nes: „Die term ‘langdurig werklozen’ suggereert te veel dat deze groep niets kan en ook niets wil. Het tegendeel is waar, alleen: bied hun de kans door de vraag te vereenvoudigen.”