Het ruikt naar goed humeur

Eigenlijk zouden we deze week in ontbijtstemming moeten zijn. Pasen is een ontbijtfeest. Alles is weer wakker geworden, het leven, de eieren, wijzelf en daar zitten we met gele bloemen aan de tafel vol gekleurde eieren.

Je ziet ons zitten.

Maar ik denk niet dat er veel van komt. Ontbijten is wel leuk maar het moet niet te lang duren. En heel veel koken voor het ontbijt – wanneer moet je dat dan doen? ’s Ochtends voor dag en dauw zeker. Als je nog nergens trek in hebt.

Bij Pasen en ’s ochtends voor dag en dauw moet ik altijd even denken aan een gedicht van Ida Gerhardt, Grensgebied I heet het, dat zich afspeelt in de heel vroege morgen, waarin een vrouw de melkboer tegenkomt in de tuin. Waarom dat Pasen zou zijn weet ik niet precies, dat komt denk ik doordat iemand het zo eens heeft geïnterpreteerd. Vlak voor het slot staat zo’n prachtige regel: „Toch onbegrijpelijk dat ik nog besta”. Het wordt gezegd door iemand die heel oud is, maar ook zonder heel oud te zijn kun je dat soms wel denken op zo’n voorjaarsochtend vol meesjes en bleke zon. Eventueel zonder het ‘nog’.

Het ging over het paasontbijt.

Wat leuk is om te doen, is een zoet brood bakken voor Pasen. Heb het net gedaan, op het broodbakpracticum van chefkok Dick Soek van restaurant Verhildersum. Duivekater. Die hoort eigenlijk bij Pinksteren, maar als je dat brood ruikt dan krijg je enorme zoete paasmorgengevoelens.

Aan de slag:

Meng gist en melk, giet dat bij de bloem in een kom en kneed er een deeg van. Zet het mengsel onder een doek op een warme plaats een half uur weg om te rijzen.

Maak intussen het tweede zetsel door alle ingrediënten door elkaar te kneden. Als het eerste zetsel gerezen is – het moet echt flink boller zijn geworden en omhoog gekomen zijn, doe je de twee bij elkaar en vermengt ze. Bebloem het aanrecht en kneed het deeg een minuut of tien tot vijftien – steeds voor je uit duwen met de onderkant van je hand, terugvouwen en een kwart slag draaien. Dat klinkt ingewikkeld maar het is logisch als je het doet, anders sta je steeds op hetzelfde stukje deeg te duwen. Je moet een mooi soepel deegje krijgen.

Zet dat weg en laat het weer een half uurtje staan.

Vet een bakblik in. Verdeel het deeg op het aanrecht in twee stuken en maak die min of meer torpedovormig. Maak drie lengtesneden (tot op de bodem) in de smalle uiteinden van het brood. De vier buitenste stroken kneed je iets dunner en rolt ze dan op, zodat ze een krul vormen. De middelste laat je ongemoeid. In de rug van wat er als een soort diepzeemonster begint uit te zien (maar dat hoort) maak je een aantal schuine elkaar kruisende sneden.

Leg de monsters op het bakblik en laat ze onder een doek nog een uur rijzen op een warme plaats. Smeer ze goed in met losgeklopt ei en bak ze ongeveer 30 minuten in de oven op 190 graden. Ze moeten donker goudgeel en stevig zijn. En het hele huis moet nu heerlijk geuren – citroenig en zoet en naar brood en Pasen en goede humeuren. Daar was het om te doen.

Verder is het verrukkelijk om op te eten.