De vader van bloesjesdag

Citaat uit een mailtje dat een lezer mij vorige week stuurde: „Vandaag is het ‘rokjesdag’. Het werd gisteravond vermeld door Margot Ribberink, de weervrouw van RTL4. De term schijnt bedacht te zijn door Martin Bril. Het is de dag in het jaar waarop voor het eerst alle vrouwen (naar het schijnt) een rokje dragen, zonder panty’s daaronder, vanwege het mooie weer! Ik noem dat sandalendag, want het is de eerste dag dat ik mijn sandalen weer aandoe!”

Is rokjesdag inderdaad verzonnen door Martin Bril? Eerst maar even kijken of de Grote Van Dale dit woord kent. Jawel, het staat erin, met als definitie ‘bloesjesdag’.

Wat betekent rokjesdag? Van Dale: bloesjesdag. Dergelijke definities zouden verboden moeten worden – desnoods van overheidswege.

Bij bloesjesdag zegt Van Dale gelukkig wel meer. Dit is de ‘eerste warme lentedag (waarop de vrouwen voor het eerst in hun bloesje op straat lopen)’. Zo’n dag hadden we dus vorige week – een paar achter elkaar zelfs.

Martin Bril wordt wel aangehaald in de Grote Van Dale (één keer, samen met Dirk van Weelden, bij het lemma nieuwsgierigheid), maar noch bij rokjesdag, noch bij bloesjesdag staat wie dit woord heeft verzonnen.

Is daar dan niks over bekend? Jawel, we weten dat Theodor Holman bloesjesdag in 1997 heeft gedeponeerd in verband met een reclameactie van de Bijenkorf. Ik heb Holman indertijd op de radio horen beweren dat hij de bedenker was van dit woord, maar later verklaarde hij dat dit een grap was; hij wist dat het ouder was.

Holman is het dus niet. Wie dan wel? In Giphtaal, een boekje van Wim Daniëls over het typische woordgebruik van Ronald Giphart, lezen we bij broekjesnacht: „Moment (meestal ’s avonds of ’s nachts) waarop iedereen tijdens een aangenaam en broeierig samenzijn de slip of het slipje uittrekt, meestal met een zwembad in de buurt. Broekjesnacht is een variant op het door Remco Campert geïntroduceerde bloesjesdag.”

Ah, het is dus van Remco Campert. Of toch niet? In 1999 schreef Marc De Coster in zijn Woordenboek van neologismen: „bloesjesdag, de eerste warme lentedag, waarop iedereen op een terrasje gaat zitten. Term voor het eerst gebruikt door Piet Grijs in de jaren zestig.”

En in De Limburger las ik nog: „Het copyright van Bloesjesdag berust geloof ik bij Koos Koets, de onvergetelijke creatie van Kees van Kooten.”

We hebben nu dus vier potentiële vaders in beeld: Martin Bril voor rokjesdag en Remco Campert, Kees van Kooten en Hugo Brandt Corstius (alias Piet Grijs) voor bloesjesdag.

Rokjesdag is in 2002 voor het eerst aangetroffen, in de Volkskrant. Niet in een column van Martin Bril, maar in een anoniem stukje. Ik heb geen spoor van bewijs kunnen vinden dat Remco Campert of Kees van Kooten bloesjesdag heeft verzonnen; wel komt dit woord al in 1982 voor in het werk van Hugo Brandt Corstius. Volgens De Coster zou Brandt Corstius het al in de jaren zestig hebben verzonnen, maar daarvoor levert hij geen bewijs. Ik heb de afgelopen jaren wel vaker onderzoek gedaan naar woorden die door velen worden geclaimd, en vrijwel nooit bleef zo’n claim overeind. Tot het tegendeel bewezen is, zeg ik: wie bloesjesdag verzonnen heeft is niet bekend.