Mohammed op snippers

Van de vroegste islamitische veroveringen is weinig bekend. Maar arabiste Petra Sijpesteijn ontsloot een over het hoofd geziene bron: papyrussnippers. Dorrit van Dalen

Arabiste Petra Sijpesteijn aan het werk met papyrusnippers. foto’s leo van velzen en universiteit leiden
Arabiste Petra Sijpesteijn aan het werk met papyrusnippers. foto’s leo van velzen en universiteit leiden Universiteit Leiden

De opkomst van de islam in de zevende eeuw na Christus ging razendsnel. In amper 100 jaar heerste de kalief vanuit Damascus over gebied dat zich uitstrekte van Spanje tot de grenzen van China. Al snel bekeerde een groot deel van de lokale bevolking zich tot de islam. Maar waarom? De wetenschappelijke discussie over de oorzaken van dat succes wordt bemoeilijkt door het gebrek aan lokale bronnen uit het bezette gebied. De vroegste beschrijvingen van binnenuit zijn van eeuwen later en gemaakt vanuit het gezichtspunt van de dan al diep gewortelde islammacht.

Maar contemporaine bronnen zijn er wel degelijk, zegt historica en arabiste Petra Sijpesteijn in haar kamer met uitzicht op de Leidse Witte Singel. Er zijn teksten uit Egypte (veroverd in 642) die wel degelijk een direct licht werpen op de verhoudingen tussen de eerste veroveraars en onderworpen volken. Dat ze tot nu toe over het hoofd gezien zijn, verbaast haar niet. Ze zijn moeilijk leesbaar: het gaat om snippers papyrus, in lastige handschriften. Maar er zijn er wel heel veel van. Tienduizenden fragmenten en zelfs proppen papyrus liggen in bibliotheken en musea over de hele wereld. Die hebben meestal geen idee wat ze in huis hebben. Vaak kreeg een conservator die manuscripten van Griekse of Arabische boeken kocht, een doos vol papyri gratis mee. Nooit onderzocht en nauwelijks gecatalogiseerd. Slechts vijf arabisten ter wereld houden zich met die papyri bezig. Sijpesteijn is één van hen. Zij is gespecialiseerd in papyri uit Egypte. Daar werd in de 7de eeuw Koptisch, Grieks en Arabisch gesproken en geschreven, talen die ze allemaal beheerst. Maandag houdt ze haar intreerede, over de snelle verspreiding van het Arabisch in Egypte. Bekering tot de islam bleef in Egypte vaak achterwege, anders dan in andere gebieden. Sijpesteijn: “Binnen twee tot drie generaties na de Arabische verovering gebruikten christenen al het Arabisch. Grieks en Koptisch werden nog wel eeuwenlang gebruikt voor administratieve doeleinden en in de privésfeer.” Pas in de veertiende eeuw was de meerderheid van de Egyptenaren moslim.

VUILNISBELTEN

De oude verwaarloosde papyri zijn een belangrijke bron van informatie over die taalverspreiding. “Het gaat om persoonlijke briefjes, petities, huwelijks- en echtscheidingscontracten, koop- en huurcontracten, verslagen van rechtszaken en veel met betrekking tot de belastingen. Allemaal nooit bedoeld om lang te bewaren, ze worden gevonden op vuilnisbelten bij dorpen die pas sinds de 20ste eeuw werden opgegraven.” Opvallend is dat het woord islam tot in de achtste eeuw niet in de papyri voorkomt, net zo min als de profeet Mohammed. “De veroveraars werden muminun (gelovigen) genoemd en muhadjirun, afgeleid van hidjra. Maar wat precies wordt bedoeld met de hidjra: Mohammeds uittocht van Medina naar Mekka, of een veldtocht, wordt uit de papyri niet duidelijk. Wel dat de hidjra het begin werd van de islamitische jaartelling.”

“Er zijn ook veel aanwijzingen voor de ontwikkeling van islamitische regels in het bestuur van de eerste veroveraars. Zo werden de categorieën mensen die recht hebben op geld van de zakat (de aalmoezenbelasting die elke moslim moet afstaan) al in de zevende eeuw aangeduid met dezelfde termen die de islamitische rechtscholen later hanteren: ajuza (oude vrouwen), yatima (wezen) miskina (slecht bedeelden) en faqira (armen).

“Het beeld dat zich aftekent van de manier waarop de nieuwe machthebbers Egypte bestuurden, is verrassend. Zo zijn er briefjes van een regionale autoriteit aan een dorpshoofd over de inkwartiering van soldaten, waarin het dorp de verzekering krijgt dat er het volgende jaar niet nóg eens soldaten hoeven te worden gehuisvest. Zo’n zelfde verzekering kreeg een ander dorp met betrekking tot de levering van levensmiddelen aan een legerkamp. Daaruit blijkt enerzijds dat zulke zaken centraal werden bijgehouden, en anderzijds dat rekening werd gehouden met de bevolking. En op dat vlak moet het succes van de veroveringen gezocht worden.”

INFRASTRUCTUUR

Volgens Sijpesteijn waren de veroveraars dus absoluut geen analfabete, hongerige nomaden, zoals ze ook wel eens worden voorgesteld. “De Arabieren voerden vanaf de eerste overwinningen nieuwe en effectieve principes van bestuur in. Ze hadden bijvoorbeeld andere opvattingen over rechtsgeldigheid, die snel werden overgenomen. Dat is te zien in documenten die in het Grieks en het Arabisch zijn opgesteld en tussen beide versies verschillen laten zien. Uit briefjes met bestellingen blijkt ook dat nieuwe infrastructuur werd aangelegd, een systeem van post en boodschappers werd opgezet. Nieuwe belastingen werden ingevoerd. De was veel meer organisatie en planning in hun bestuur dan tot nu toe werd gedacht. Tot nu werd benadrukt dat de manier van belasting innen dezelfde bleef en dat de lagere ambtenarij niet werd vervangen. Dat zou bewijzen dat de Arabieren die ambtenaren nodig hadden omdat ze zelf geen verstand van besturen hadden.”

Het werken met de papyrussnippers is monnikenwerk. De Universiteitsbibliotheek in Leiden kreeg in de jaren 70 ruim 140 negende-eeuwse papyri uit Egypte, die sindsdien in een doos lagen. Nu worden ze gerestaureerd en in polyester film bewaard. “Het uitvouwen,” zegt Petra Sijpesteijn, “is niet minder spannend dan wanneer je een stukje papyrus vindt bij een opgraving, met geitenkeutels tussen de vouwen. De directheid van de tekst, met het papier van de schrijver zelf in je handen, dat maakt steeds opnieuw indruk. ‘Zeg tegen Abu Mhd dat hij nu echt moet betalen.’ Of: ‘Stuur ons eens sinaasappels, want hier is helemaal niks.’ Vaak vind je verzoeken om graan, omdat het ergens zo duur is. Uit veel teksten kun je afleiden dat de post betrouwbaar en snel was. Iemand schrijft bijvoorbeeld: ‘Ik hoor dat je moeder ziek is, hoe is het nu met haar?’ Dat schrijf je niet als je denkt dat ze wel dood zal zijn tegen de tijd dat de brief aankomt.

“Het ontcijferen begint met het zoeken naar formules, die gelukkig veel gebruikt worden in het Arabisch. In brieven bijvoorbeeld: ‘Moge God je gezondheid en geluk verlengen,’ of: ‘Ik en de mijnen zijn in goede gezondheid en goede staat.’ Dan weet je van een groot aantal letters hoe ze geschreven worden en kun je verder. Op sommige stukjes kun je maanden staren zonder iets te herkennen. Van zulke woorden hang ik thuis foto’s op, zodat ik er een blik op kan werpen op momenten dat ik met heel andere dingen bezig ben.” Terwijl ze dit vertelt, slaat ze een blik op een fragment waar de papierrestaurator mee komt. “Hé, kijk nou: ‘Aan Ibn Abdallah, de zijdehandelaar’, staat hier. Nooit gezien, en nu wel.”