Hopen op een plekje in de grafmuur

Het jaarlijkse dodenfestival van China wordt aangemoedigd door de staat. Maar voor rouw is geen tijd. En voor de doden geen ruimte.

Li Xiaobin staat met een strooien bezem in haar handen bij het graf van haar ouders. Ze veegt het stof van de grijze betonnen gedenkplaat, pakt een bosje chrysanten en legt die onder de foto van haar vader. Daarna legt ze een stapeltje papiergeld onder een kei naast de bloemen. Lï’s ouders overleden twintig jaar geleden en omdat haar vader een hoge functie had bij het ministerie van Ruimtelijke Ordening mocht zijn as na de crematie worden bewaard in een graf op de Revolutionaire Begraafplaats van Babaoshan, een buitenwijk in het westen van Peking.

Er zijn vandaag honderden nabestaanden naar het uitgestrekte Babaoshan gekomen, ze leggen bloemenkransen, papiergeld, sterke drank en eten op het graf van hun dierbare overledenen. Begin april rouwt China om zijn doden tijdens het Qingming (klaar-en helderfeest). De traditie is al meer dan tweeduizend jaar oud. Chinezen bezoeken de begraafplaatsen van hun voorouders om die schoon te maken en hun zielen te eren.

Dit jaar staat het Chinese Allerzielen feest in het teken van de eerste herdenkingsdag van de aardbeving in Sichuan waarbij meer dan 70.000 doden vielen. Het op 12 mei 2008 zwaarst getroffen dorp Wenchuan was bijna een jaar lang hermetisch van de buitenwereld afgesloten, maar ter ere van het Qingmingfestival hebben de bewoners die door de ramp waren verjaagd, toestemming gekregen om hun dorp te bezoeken. Ook de Chinese media besteden dezer dagen veel aandacht aan de herdenking van de slachtoffers van de aardbeving.

Toch verliest het eeuwenoude festival jaarlijks aan populariteit. Volgens een recent onderzoek van de krant Information Daily uitgevoerd onder 8.000 inwoners in Peking, blijkt dat 60 procent van de hoger opgeleide en beter betaalde stedelijke werknemers geen weet heeft van de Qingming-traditie. Slechts 30 procent van hen zou van plan zijn hun dierbare overledenen tijdens het festival te herdenken. Het is een trend die al langer zichtbaar is. En daarom besloot het Nationale Volkscongres in maart 2008 om van 4 april een officiële nationale feestdag te maken. Doel: het respect voor de overledenen te bevorderen en zo de nationale cohesie aan te moedigen.

Het uitgestrekte grafterrein ligt er goedverzorgd bij op een lommerrijke heuvel aan de rand van een kaal bos. Bij de ingang zijn nepbloemen te koop speciaal voor het Qingming-festival. Bezoekers kunnen er ook kleine bakjes verf kopen om de vervaagde Chinese karakters op de grafstenen op te frissen. De klasseloze maatschappij is in communistisch China altijd een streven gebleven. Ongelijkheid is de realiteit, ook na de dood. Zo blijkt hier. Dit is geen begraafplaats voor gewone mensen. Hier liggen in stalinistische mausoleums van marmer en gemetselde muren partijbonzen, martelaren van de revolutie, vrienden van Mao, ministers en leden van het politburo uit een ver verleden.

Een kleine kilometer verderop is de begraafplaats van het volk. Daar worden de stoffelijke overblijfselen van de minder bedeelden letterlijk in de muur gemetseld. Kosten: acht euro per jaar. In het doolhof van grafmuren staan werklieden op een trapje bloemen op te hangen.

Fang Ran veegt met een doek een gedenkplaatje schoon van haar twee jaar geleden overleden broer. Ook legt ze een klein flesje sterke drank op een muurtje onder zijn portret. „Wij Chinezen rouwen niet meer genoeg. Niemand heeft er meer tijd voor”, zegt ze. „Toen mijn broer overleed, was hij al gecremeerd voordat ik kon bevatten dat hij er niet meer was. We zijn klein behuisd en hij werd een dag na zijn overlijden al overgebracht naar Babaoshan. Opgebaard in de rouwkamer voor de armen, in een papieren kist gestopt en de volgende dag naar het crematorium gereden. Daarna mochten we een doosje uitkiezen voor zijn as. Toch zijn we blij met dit kleine plekje op Babaoshan omdat we er ieder jaar kunnen terugkomen om mijn broer te gedenken.”

Bao Yanli, een sjofel geklede vijftiger, legt een bosje nepbloemen op het graf van zijn vader. „Hij is dertig jaar geleden overleden. Toen konden wij gewone mensen voor honderd euro nog een heel graf kopen. Nu moet je er achtduizend euro voor neertellen. Het gezegde is waar geworden: Gewone mensen kunnen zich het zich niet veroorloven om dood te gaan.”

Volgens Yan Kuan, hoogleraar Volksreligie aan de Volksuniversiteit van Peking, is er in de afgelopen eeuw veel veranderd in de manier waarop de Chinezen met hun doden omgaan. „Sinds eind jaren zestig is men in de steden en ook in steeds meer dorpen verplicht om mensen te cremeren. Er is te weinig grond om mensen in te begraven. Dat is van invloed geweest op de manier waarop Chinezen rouwen. In Peking sterven elk jaar rond de 100.000 mensen. Maar rituelen blijven vaker achterwege en nabestaanden moeten steeds verder de stad uit om hun doden te eren.”

In de aula van het Volkskerkhof zit Yang Chunguan met een nummertje in haar hand op een rij stoeltjes te wachten op haar beurt. „Mijn moeder is vorig jaar overleden. Maar omdat er geen plek was in de muur in Babaoshan, moesten we de doos met haar as mee naar huis nemen. Mijn moeder staat op een wachtlijst. En we komen nu vragen of ze al aan de beurt is. Het zou mooi zijn als ze precies op Qingming een plekje krijgt.”