Nederlandse musea geven videokunst volop de ruimte

Nog niet eens zo heel lang geleden – we spreken over de jaren negentig – was videokunst een redelijk gemarginaliseerde kunstvorm. Wie op de hoogte wilde blijven van nieuwe ontwikkelingen binnen het medium kon terecht bij gespecialiseerde instellingen als V2 of het Nederlands Instituut voor Mediakunst. Voor de liefhebbers was er een jaarlijks World Wide Video Festival. En af en toe liet het Stedelijk Museum in Amsterdam een aardig filmpje zien in een speciaal voor de videokunst ingerichte ruimte: een donker hol onder de trap.

En kijk nu eens. Op internationale biënnales zie je sporadisch nog een schilderij – de meeste ruimtes zijn er verduisterd omwille van de vele kunstvideo’s. En ook de museale wereld is zich er steeds meer van bewust dat videokunst een volwaardig zalenvullend medium is geworden. Je mag het gerust een unicum noemen dat vrijwel alle belangrijke Nederlandse musea op dit moment werk van hedendaagse videokunstenaars tonen. Zo combineert Museum De Hallen de gruizige muziekvideo’s van de Amerikaan Slater Bradley met de existentiële filmpjes van Guido van der Werve, en laat het Van Abbemuseum een overzicht zien van de Litouwse videokunstenaar Deimantas Narkevicius.

Het spectaculairst zijn de presentaties van Pipilotti Rist en David Claerbout in respectievelijk Museum Boijmans Van Beuningen en De Pont. In beide musea toverden de kunstenaars de bestaande architectuur met behulp van transparante gordijnen en schermen om tot desoriënterende labyrinten. Museumbezoekers worden in de watten gelegd met hoogpolig tapijt en comfortabele matrassen (bij Rist) of kunnen zich neervlijen op Fatboy zitkussens (bij Claerbout). Zo vinden zelfs de meest recalcitrante middelbare scholieren hun verplichte kunstuitje goed te pruimen.

Elixir, de tentoonstelling van Rist, glijdt naar binnen als een ijsje op een mooie lentedag. Op plafonds, vloeren en wanden trekken beelden voorbij van meisjesbenen onder korte rokjes en uit elkaar spattend sappig fruit. Voeg daarbij de hallucinerende kleuren en de trance-achtige muziek en je snapt waarom iedereen met zo’n gelukzalige glimlach naar buiten stapt.

Ook Claerbouts tentoonstelling The Shape of Time begint rustgevend, met beelden van een idyllische alpenweide en het geluid van kabbelende beekjes en kwetterende vogels. Maar bij de Belgische kunstenaar word je als kijker ook geconfronteerd met de rafelranden van het paradijs. Je schrikt je rot als tussen de bergen plots een geweerschot klinkt. Tegen het decor van een pittoreske villa wordt een man keer op keer met een steen de hersens ingeslagen, een geluid dat nog lang in je hoofd echoot.

Zowel de kalmerende beelden van Rist als de verontrustende films van Claerbout bewijzen dat de hedendaagse videokunstenaars in staat zijn om een breed publiek te trekken. De tijd dat kunstfilmpjes werden weggestopt, is voorgoed voorbij. Het Nederlands Instituut voor Mediakunst, dat zich altijd heeft ingezet voor de verspreiding van videokunst en dat volgende maand zijn dertigste verjaardag viert, heeft zichzelf dus eigenlijk overbodig gemaakt.

    • Sandra Smallenburg