Let op het koken van de kreeft

Met zijn pleidooi voor een geëngageerde literatuur die niet-literair durft te zijn steekt de neerlandicus Thomas Vaessens zijn nek uit. Zijn boek is prikkelend én ergerniswekkend.

Fragmenten uit Picasso’s Guernica in Rosario, Argentinië Foto Marta Motti
Fragmenten uit Picasso’s Guernica in Rosario, Argentinië Foto Marta Motti Motti, Marta

Thomas Vaessens: De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement. Vantilt, 255 blz. € 19,95

Vorige week werd in het programma De wereld draait door literair criticus Arnold Heumakers op de vingers getikt door voetbalcommentator Hugo Borst, omdat hij het had gewaagd in deze krant kanttekeningen te maken bij de roman Het diner van Herman Koch. Het was een even korte als veelzeggende botsing: Hugo Borst is van de televisie, dus hij mag overal over meepraten, eerder in dezelfde uitzending had hij – met het aplomb van een man die ons de snaartheorie verklaart – uitgeweid over hoe je je hond moest afleren drollen te eten. Heumakers moest volgens Borst niet denken dat hij meer over literatuur te beweren had omdat hij er toevallig voor doorgeleerd had; hij had in zijn stuk van Het diner ‘op een intellectuele manier hogere wiskunde’ gemaakt. Dat mag, zei Borst ironisch, dat is zijn vak.

Cultuur in Nederland, je kunt het niet vaak genoeg zeggen, is altijd een sociale strijd. Altijd gaat het over de angst dat iemand denkt dat hij beter is dan jij. Op het eerste gezicht was het zo’n onbekommerd anti-intellectuele oprisping die tegenwoordig ieder debat bepaalt. Ogenschijnlijk keerde Borst zich tegen de vermeende arrogantie van de zelfbenoemde literaire smaakmaker die ons wel even zou vertellen wat we van de roman van Koch moesten vinden. Maar de subtekst was een andere: Borst wilde even laten zien wie hier de baas was. Op cultureel gebied heeft de televisie het nu voor het zeggen, niet de literatuurkritiek.

Zulke botsingen tussen de traditionele Republiek der Letteren en de door de media beheerste massacultuur zijn niet nieuw. Een aantal jaren geleden jaar geleden mocht de Duitse schrijver Bernard Schlink bij Oprah Winfrey aanschuiven; zijn roman De voorlezer was verkozen als boek van de maand voor haar boekenclub. De auteur zat zichtbaar ongemakkelijk tussen een groepje lezeressen, die hem onbekommerd het soort vragen stelde waar een literaire fijnproever zijn neus voor zou hebben opgehaald: had hij zelf zoiets ook echt meegemaakt? Schlinks onverwachte bestseller gaat over een kampbewaakster die analfabeet blijkt te zijn, en dus laste Oprah een item in over een echte, diep ongelukkige Amerikaanse huisvrouw die eindelijk de moed had opgebracht om te bekennen dat ze nooit had leren lezen en schrijven. We zagen de dikke vrouw hand in hand met een paar kleuters voor het eerst naar de grote school gaan. ‘We salute you!’, riep Oprah. Schlink keek alsof hij iets heel vies in zijn mond had; hij had zijn roman niet geschreven om iets aan het analfabetisme te doen. Later bleek dat zijn boek, afgezien van Tolstojs Anna Karenina, de meest gelezen van alle clubkeuzes van Oprah was.

Schlink zat bij Oprah als vertegenwoordiger van de serieuze literatuur die zich een hoop on-literaire aandacht moest laten welgevallen om een publiek te bereiken waarvan hij binnen de traditionele literaire wereld van recensies en interviews in boekensupplementen niet kon dromen. Na hem haalde Jonathan Franzen, schrijver van The Corrections, opzichtig zijn neus op voor Oprahs boekenclub, omdat zij de literatuur zou trivialiseren.

Nu de traditionele literaire cultuur op sterven na dood is – de schrijver als ontzagwekkende grootheid, de criticus als onbetwist smaakmaker, de literatuur als een sterk magnetisch veld midden in samenleving – dringt zich als vanzelf de vraag op wat we met de literatuur zelf aanmoeten. Verliest die niet rap aan invloed en betekenis, nu haar status niet meer vanzelf spreekt? Moet de literatuur zich aanpassen aan de wetten van de massacultuur, zoals Schlink zich moest aanpassen aan de literaire beleving van Oprahs lezeressen ? Of moet de literatuur juist in verzet komen en zich hautain afzetten tegen verpletterende verplatting, zoals Gerrit Komrij en Jeroen Brouwers even honend als voorspelbaar deden tijdens de afgelopen Boekenweek? Wat moet er gebeuren om te voorkomen dat de literatuur opgesloten blijft in haar eigen benauwende subcultuur van prijsjes en roddels en het krampachtig ophouden van de schijn van belangrijkheid? Zoals de hoogleraar Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens stelt in zijn nieuwe boek De revanche van de roman: ‘Iemand als Kees Fens mag de laatste jaren van zijn leven overal waar hij verscheen geridderd of anderszins gelauwerd zijn, maar zijn gezag als criticus gold onder niet-generatiegenoten al lang niet meer.’

Zo’n heiligschennend zinnetje geeft al aan waar Vaessens staat in de botsing der culturen: hij staat aan de kant van Borst, niet aan die van Heumakers. Keer op keer hoont de hoogleraar Nederlandse Letterkunde de knusse coteriesfeer van het literaire establishment, dat maar niet wil inzien dat de bakens zijn verzet. Ogenschijnlijk wil Vaessens met zijn boek laten zien hoe literatuur weer een rol kan gaan spelen in de samenleving, maar zijn positieve boodschap wordt overstemd door zijn luid beleden afkeer van schrijvers en critici die nog in de waan leven dat zij en hun schrijfsels nog meetellen. Noem het een obsessie. Literair critici komen in zijn boek enkel voor als de verstokte ‘poortwachters’ van de hoge cultuur, die zichzelf als vertegenwoordigers zien van eeuwige, universele waarden – en niet te vergeten goede smaak. De toon is soms ronduit verongelijkt: ‘Wie vragen stelt bij de vanzelfsprekende autoriteit van de hoge cultuur, die heeft ‘‘gebrek aan smaak’’.’

Een groot deel van de 20ste eeuw, zegt Vaessens, trapte het volk erin. Literatuur was iets waar een mens zich aan op kon trekken en de poortwachters maakten onder elkaar uit wat literatuur was. ‘De literaire elite trok binnen het systeem samen op met de in intellectueel en cultureel opzicht minder bedeelden die ze vanuit hun expertise en esthetische predispositie vooruit konden helpen.’

Volgens Vaessens is de Nederlandse literatuur op twee manieren in zichzelf opgesloten geraakt; allebei komen ze in laatste instantie neer op het ontkennen van de werkelijkheid. Allereerst is door de voortdurende nadruk op het tijdloze en autonome karakter van de grote literatuur een fatale afkeer ontstaan van alles wat met de actualiteit te maken heeft; de literatuur zou in zowel vorm als thematiek boven het leven van alledag moeten staan, een houding die heeft geleid tot een akelig soort smetvrees. De tweede manier van ontkennen is het sociale gevolg van die kunstopvatting: binnen de literatuur is men blind geweest voor de grote culturele verschuivingen in de samenleving, waardoor de republiek der letteren niet langer een cultureel machtscentrum is waartegen door iedereen – ook door mensen die geen literatuur lezen – bewonderend wordt opgekeken; ongemerkt is het een benarde enclave geworden, een folkloristische subcultuur die zichzelf koestert met rituelen waarin buiten de muren van de enclave niemand meer gelooft.

In die opvatting spiegelt Vaessens het inktzwarte beeld van de cultuurpessimisten en de miskende schrijvers; alleen geven die niet de schuld aan een wereldvreemde, met vorm geobsedeerde literaire cultuur, maar juist aan de vervlakkende mediacultuur, die de literatuur niet langer als een kunstvorm, maar alleen nog als een vorm van vermaak wenst te zien, het liefst zo hapklaar mogelijk.

Het is moeilijk partij kiezen. Toen ik in 2003 in mijn Kellendonk-lezing pleitte voor een kunst die een nieuwe verhouding tot de werkelijkheid zou zoeken, een werkelijkheid die door een stortvloed aan beelden tegelijkertijd steeds complexer en steeds vlakker wordt, kwamen er uit de kringen van de beeldende kunst veel reacties. Vanuit de literatuur kwam er alleen een ingezonden brief van de redactie van De Revisor, die er ontzet vanuit ging dat ik een pleidooi voor het allerergste had gehouden: realisme. Nog steeds hoor je Nederlandse schrijvers beweren dat het niet gaat waar je over schrijft, maar hoe je erover schrijft – een cliché dat altijd als excuus wordt gebruikt door schrijvers die niets te zeggen hebben.

Welbeschouwd komt het pleidooi van Vaessens neer op een omkering van die mantra: het gaat er niet meer om hoe iets geschreven wordt, maar waarover je schrijft. In zijn boek is dat de uitkomst van een strak betoog, waarin hij beschrijft hoe de humanistisch-modernistische literaire cultuur in de jaren zestig en zeventig hard onderuit gehaald werd door het postmodernisme, dat de aanspraak op universele waarden ontmaskerde als machtspolitiek en de betrekkelijkheid van ieder oordeel onderstreepte. Ook dat bleek een doodlopende weg. Aan de hand van een aantal hedendaagse Nederlandse romanciers, onder wie Grunberg, Februari, Zwagerman en Mutsaers probeert hij te laten zien dat hedendaagse auteurs zich verzetten tegen het benauwende estheticisme van de modernistische literatuuropvatting, maar inmiddels ook het verlammende relativisme van het postmodernisme voorbij zijn. Ze zoeken een lezerspubliek dat wel leest, maar van de literatuur vervreemd is geraakt. Voor Vaessens lijkt het er niet langer toe te doen of de romans van zulke schrijvers als kunstwerk geslaagd zijn, het gaat erom dat deze schrijvers iets willen. Het geeft eigenlijk niet wat. Bewonderend citeert hij Charlotte Mutsaers, die de hoop uitspreekt dat haar roman Koetsier Herfst bij de lezer een afkeer van het eten van kreeften teweegbrengt.

Met zijn pleidooi voor een literatuur die niet-literair durft te zijn, door zowel esthetisch als cultureel buiten de betreden paden te treden, steekt Vaessens zijn nek ver uit. Dat moet je prijzen, want de neerlandistiek is geen vakgebied van waaruit regelmatig de hemel bestormd wordt. Maar De revanche van de roman is behalve een prikkelend ook een ergerniswekkend boek. In de eerste plaats door de rancuneuze toon waarmee Vaessens zich afzet tegen de critici in de humanistisch-modernistische traditie; de hoogleraar kan zich onmogelijk een literaire kritiek voorstellen die uit andere motieven voorkomt dan uit een hautain klassenbewustzijn; ieder literaire oordeel is bedoeld om een ander jouw goede smaak in te peperen.

Als je zo denkt, dan kun eigenlijk niets meer vinden van een roman. Geen wonder dat Vaessens zelf de romans die hij in zijn boek beschrijft niet als literaire werken lijkt op te vatten, maar louter als onderdeel van de strategie van de auteur. Het zijn dorre samenvattingen. Gaandeweg maakte de verdenking zich van mij meester dat Vaessens ervan overtuigd is dat alle kunst hopeloos in zichzelf besloten is en van zichzelf moet worden bevrijd. Het zegt hem gewoon niet zoveel.

Dat merk je aan de verkeerde manier waarop hij het begrip ‘autonomie’ hanteert. Wie stelt dat een literaire tekst autonoom is, zegt volgens Vaessens dat de schrijver ervan zich niets van welke werkelijkheid aantrekt, het is hem enkel om taal en vorm te doen. Dat is onzin. Vaessens betuttelt Frans Kellendonk, omdat die met zijn controversiële roman Mystiek lichaam zich enerzijds uitspraken over de samenleving permitteerde, maar toen hij werd aangevallen over het vermeende antisemitisme in zijn boek, zich verdedigde door erop te wijzen dat een roman een werkelijkheid op zich is. Vaessens ziet dat als angstvalligheid, terwijl het om het wezen van de literatuur gaat. Wie denkt dat een tekst die autonoom is niets over de werkelijkheid te zeggen heeft, heeft van kunst niet veel begrepen. Vergelijk het eens met een schilderij, laten we zeggen de Guernica van Picasso – is dat geen autonoom kunstwerk? Zegt dat doek niets over de werkelijkheid?

Vaessens beschouwt het beroep op het fictieve van de fictie als hopeloos achterhaald, behorend tot een literaire cultuur die zich een geriefelijke vrijplaats kon wanen. O ja? Afgelopen dinsdag berichtte deze krant over de jonge Franse rapper Orelsan die zijn omstreden nummer ‘Sale pute’, waarin een kantoormannetje zijn vriendin per email voor vuile hoer uitmaakt, etc, verdedigde door te zeggen dat het fictie is. Ook de omstreden roman American Psycho van Bret Easton Ellis werd door bewonderaars verdedigd met hetzelfde argument. In zijn hoofdstuk over het postmodernisme noemt Vaessens de roman American Psycho (1991) van Ellis als een voorbeeld van de relativistische roman, waarin de personages rondlopen in ‘een kille, uitzichtloze wereld waarin cynisme en oppervlakkigheid voor hip en cool doorgaan en waarin echt contact met anderen ver te zoeken is.’ Of Vaessens heeft die roman nooit gelezen, of hij heeft er niets van begrepen – American Psycho is in zijn cultuurkritiek op het moralistische af. Cynisch en leeg kun je dat boek alleen noemen wanneer je de pathologische hoofdpersoon met de schrijver verwart.

Dat de duistere, in zichzelf besloten wereld van American Psycho bij uitstek een vorm van schrijversengagement kan zijn, lijkt niet bij Vaessens op te komen. Dat is een veeg teken. De uitingen van nieuw schrijversengagement die hij zelf noemt in zijn boek zijn welbeschouwd stuk voor stuk nogal brave, bij uitstek humanistische statements: tegen de leegheid van de bestuurlijke elite, tegen de verschrikkingen van de oorlog, tegen het eten van kreeft. Een serieuze schrijver zal zich door zulke complimenten tekort gedaan voelen.

Wat nodig is, lijkt me, is niet een hoogleraar die liefst zou willen dat de literatuur helemaal in de werkelijkheid zou opgaan, maar juist een criticus die kracht van de literatuur laat zien – zoals de Engelse criticus James Wood onlangs in zijn goedverkochte essay How Fiction Works. Wood laat zijn bevlogen analyses van teksten vooraf gaan door een citaat van de modernist Henry James: ‘There is only one recipe – to care a great deal for the cookery’. Wie denkt dat in een door nieuwe media beheerste massacultuur geen plaats is voor dergelijke fijnproeverij, maakt in wezen dezelfde denkfout als de hautaine cultuurpessimisten, die denken dat Oprah en Anna Karenina niet samen kunnen gaan. Het is tijd voor een echt debat.

Waar staat u in de botsing der culturen? Reageer en discussieer mee op nrcboeken.nl, of mailuw reactie naar boeken@nrc.nl.