Autorijden op oud frituurvet

Frituurvet kan tot biodiesel worden omgewerkt. De behoefte aan biodiesel groeit doordat de wet steeds hogere percentages bio in diesel voorschrijft. Probleem: het is te duur.

Oud, afgewerkt frituurvet krijgt hier, aan de IJssel bij Kampen, een nieuw leven. Twee mannen in donkerblauwe overalls kiepen vaten met bleek, gestold vet om op een rooster. Aan de andere kant van de fabriek komt het vet er, gezuiverd en chemisch behandeld, uit als een heldere goudkleurige vloeistof.

Het is biodiesel geworden, voor in de automotor. Het bedrijf Biodiesel Kampen zet jaarlijks 50 miljoen liter oud frietvet om in brandstof: 0,5 procent van alle gewone diesel die het wegverkeer in Nederland jaarlijks verbruikt.

Maar er is een probleem. Het inzamelen en verwerken van frituurvet tot biodiesel is relatief duur vergeleken met de productie en verwerking van andere grondstoffen als palmolie, koolzaadolie en sojaolie, zegt Bart-Willem ten Cate, manager bij oliehandelaar Van der Sluijs Groep, het bedrijf dat de biodiesel uit Kampen afneemt. Van der Sluijs Groep brengt eenderde van alle benzine en diesel in Nederland op de markt, en is sinds 2007 wettelijk verplicht biobrandstoffen bij te mengen.

Elke liter benzine en diesel moet 2 procent biobrandstoffen bevatten, en dat percentage loopt op. Volgend jaar moet het 4 procent zijn.

Hiermee wil de overheid de CO2-uitstoot van het wegverkeer verminderen. Van der Sluijs Groep gebruikt nu biodiesel uit afvalstromen, en houdt daar ook het liefst aan vast. Maar als die grondstof duurder blijft, ziet het zich genoodzaakt op termijn over te stappen op bijvoorbeeld koolzaadolie, of palmolie – ook al zijn die omstreden. Want de aanleg van plantages voor palm- en sojaolie gaat nogal eens ten koste van regenwoud. Verder concurreert het gebruik van deze oliën als biobrandstof met toepassingen in de voedselketen, waardoor voedselprijzen worden opgedreven.

Daarnaast, zegt Ten Cate, breng je met bijvoorbeeld koolzaadolie de CO2-uitstoot helemaal niet zo ver terug. Die ligt 30 procent lager vergeleken met die van diesel uit aardolie. Bij reststromen als frituurvet is de afname zeker 80 procent.

Van der Sluijs Groep wil dat de Nederlandse overheid steun biedt aan biodiesel uit reststromen. Brussel geeft die mogelijkheid sinds kort, in de vorm van een zogeheten dubbeltelling. Daarbij mag het volume van bepaalde typen gunstige biobrandstoffen dubbel geteld worden.

Met als gevolg dat je er maar de helft van hoeft bij te mengen – als de diesel volgend jaar voor 4 procent uit biodiesel moet bestaan, zou je met 2 procent ‘frietdiesel’ al aan de verplichting voldoen. Reststromen zouden daarmee een concurrentievoordeel krijgen ten opzichte van koolzaadolie of palmolie.

Een woordvoerster van het ministerie van VROM laat weten dat er binnen een maand een lijstje wordt gepubliceerd met de typen biobrandstoffen die in Nederland in aanmerking komen voor dubbeltelling.

Tweede Kamerlid Liesbeth Spies (CDA) zegt dat ze biobrandstoffen uit afvalstromen niet bij voorbaat wil uitsluiten van de lijst voor dubbeltelling. „Ze zouden een eerlijke kans moeten krijgen”, zegt ze.

Volgens Spies is het positief dat reststromen zoals oud frituurvet meestal dicht bij de bron worden verwerkt. Dat scheelt transport, en dus CO2-uitstoot.

Ron Wit van de stichting Natuur en Milieu noemt dubbeltelling een „domme maatregel” omdat het er alleen maar toe leidt dat bedrijven minder hoeven bij te mengen. Ten Cate van de Van der Sluijs Groep antwoordt daarop dat de overheid als extra maatregel het verplichte, bij te mengen percentage biobrandstoffen zou kunnen verhogen.

Maar heeft Nederland daarvoor genoeg reststromen? Nee, zegt hoogleraar André Faaij van de universiteit Utrecht. Uit onderzoek blijkt dat je met alle reststromen in Nederland niet hoger komt dan een bijmengpercentage van vijf procent. „Reststromen zijn een niche”, zegt hij. Hij vindt dat de dubbeltelling vooral moet gelden voor prille technologieën die op termijn de reusachtige vereiste volumes kunnen leveren om tot 25, of zelfs 50 procent bij te mengen, en daarbij ook nog grote CO2-voordelen bieden. „Maar die zijn pas over een jaar of vijf tot tien commercieel”, zegt Ten Cate. Tot die tijd zouden reststromen een goed alternatief zijn.

Volgens directeur Cees Bunschoten van Biodiesel Kampen is er meer afval in Nederland dan menigeen denkt. Hij haalt het afgewerkte frituurvet nu hoofdzakelijk op bij vestigingen van de Burger King en de McDonald’s in Nederland, Duitsland en België, maar er is een bron die nog niet is aangeboord: de Nederlandse huishoudens. Die gooien hun oude frituurvet vaak gewoon bij het gft, of in de afvalbak.

„Als je dat zou scheiden, heb je nog een flinke extra stroom te pakken”, zegt Bunschoten. Hij schat dat er in Nederland al met al genoeg is om tot 10 procent biodiesel bij te mengen.