NAVO moet Moskou bellen

Een structurele hulprelatie van tientallen jaren alsmede een militaire missie zijn nodig voor de opbouw van Afghanistan, menen Jorrit Kamminga en Johan Zielstra.

We moeten en zullen meer doen. Dat was deze week in Den Haag de boodschap aan het adres van de Afghaanse president Karzai. Die boodschap komt ruim een jaar voordat Nederland minder gaat doen en ongeveer twee jaar voordat ook de Canadezen het in Kandahar voor gezien houden. Andere landen blijven weliswaar met een redelijke troepenmacht achter, maar sturen op korte termijn vrijwel zeker geen extra militairen. Het meer doen op militair vlak is voorlopig een puur Amerikaanse aangelegenheid, maar het gaat hier natuurlijk ook om een toename van de civiele inspanningen, zoals eerder deze week werd verwoord door minister Koenders voor Ontwikkelingssamenwerking en door Jaap de Hoop Scheffer, secretaris-generaal van de NAVO. De positieve geluiden uit Den Haag zijn welkom, maar die klonken ook al tijdens de donorconferenties in Londen en Parijs in respectievelijk 2006 en 2008. Wat betreft Afghanistan is er dan ook geen gebrek aan mooie beloftes en goede bedoelingen, maar des te meer aan structurele vooruitgang. Het gebrek aan verbetering heeft zelfs de Russische Federatie aangespoord om weer mee te gaan denken over een langetermijnoplossing voor Afghanistan. Dat is opvallend. Terwijl Nederland en Canada hun missies langzamerhand gaan afbouwen, zijn de Russen juist weer mondjesmaat bereid om ook militair te helpen in Afghanistan, al is dat voorlopig in een vrij beperkte rol. Deze verandering in het Russische buitenlandse beleid valt precies samen met de herdenking van het einde van hun Afghanistanoorlog in 1989.

Sergei Lavrov, de Russische minister van Buitenlandse Zaken, sprak in Den Haag over de noodzaak om anti-terrorisme en sociaal-economisch beleid te combineren om Afghanistan op te bouwen. President Medvedev gaf een paar dagen daarvoor tijdens een vergadering van de Shanghai Cooperation Organisation reeds aan dat Rusland volledig bereid is om mee te helpen bij het opbouwen en normaliseren van Afghanistan. De NAVO kan deze hulp goed gebruiken. De Russen hebben, ondanks een afwezigheid van achttien jaar, veel meer ervaring met opbouwen in Afghanistan dan de internationale coalitie nu.

Hun decennialange betrokkenheid bij Afghanistan wordt tegenwoordig vaak over het hoofd gezien of afgedaan met simplistische verhalen over het ‘Russische Vietnam’, hun nederlaag en de symbolische terugtocht over de rivier Amu Darya in 1989.

De inmenging van de Russen in Afghanistan kwam eind jaren zeventig niet uit de lucht vallen. De Sovjet-Unie sloot in 1936 een eerste handelsverdrag en steunde Afghanistan vanaf de jaren vijftig met economische en militaire hulp. In 1955 werd een akkoord gesloten over de constructie van de beroemde Salang-tunnel door het Hindu Kush-gebergte, die in 1964 openging. Daarnaast werden in die jaren tientallen wegen, scholen, fabrieken, ziekenhuizen, woonblokken, waterkrachtcentrales en vliegvelden gebouwd. In 1957 arriveerde de eerste militaire missie die in 1960 al was gegroeid tot vijfhonderd adviseurs, instructeurs en technici, die het Afghaanse leger succesvol hielpen opbouwen. Dat jaar beschikte de Afghaanse Luchtmacht reeds over honderd Russische vliegtuigen en zes helikopters.

In 1964 begon Afghanistan onder Russische leiding aan de bouw van een kerncentrale. De Sovjet-Unie leidde tevens het personeel hiervoor op. Tussen 1961 en 1970 ontvingen zevenduizend Afghaanse officieren militaire training in de Sovjet-Unie en Tsjecho-Slowakije. In 1963 hadden reeds vierduizend Afghanen een technische opleiding genoten in de Sovjet-Unie. In 1977, twee jaar voor het begin van de oorlog, had Afghanistan reeds meer dan 4,5 miljard dollar ontvangen uit het gehele Oostblok (actuele koers). Deze structurele economische en militaire hulprelatie duurde uiteindelijk 36 jaar.

De redenen voor deze langdurige hulprelatie waren dat de Sovjet-Unie een stabiele zuidgrens zocht, graag een socialistisch regime in Kabul zag en profiteerde van de gasvelden van Sheberghan in Noord-Afghanistan – 29 miljard kubieke meter alleen al tot eind 1979. De Sovjet-Unie was tijdens de gehele Koude Oorlog de belangrijkste handelspartner van Afghanistan, een economische afhankelijkheid die steeds verder toenam. De Amerikanen probeerden weliswaar ook voet aan de grond te krijgen in Afghanistan, maar ondanks het feit dat zij in bepaalde gebieden ook wegen en dammen bouwden, ontstond er geen structurele militaire- en hulprelatie zoals bij de Russen.

Ondanks het zinloze karakter van de oorlog die dit jaar herdacht wordt en de chaos die volgde, hebben de Russen in Afghanistan nog altijd veel meer opbouwervaring dan de internationale gemeenschap nu. Hun nederlaag (of tactische overwinning zoals de Russen het graag noemen) is daarom geen koren op de molen van diegenen die vinden dat Nederland zich terug moet trekken uit Afghanistan. Juist niet. De Russische bemoeienis met Afghanistan maakt één ding duidelijk: de opbouw van het land en het Afghaanse leger is mogelijk, maar hiervoor is een structurele hulprelatie vereist van tientallen jaren, inclusief een militaire missie in Uruzgan in de komende jaren om de Afghaanse veiligheidsdiensten verder op te bouwen.

Jorrit Kamminga is beleidsmedewerker van The International Council on Security and Development (ICOS), voorheen de Senlis Council en werkte lange tijd in de Afghaanse provincies Helmand, Kaboel en Kandahar. Johan Zielstra is directeur van filmbedrijf Chronoscoop. Zij werken momenteel aan een documentaire over de Russische oorlog in Afghanistan.