Hand in hand, Afrikanen

In West-Afrika schoolt Feyenoord voetballers. De club ziet het als maat-schappelijk verantwoord ondernemen. „De beentjes van die mannekes zijn net knakworsten.”

Het is een krakkemikkig bord aan een kronkelig weggetje, ruim een uur rijden van de Ghanese hoofdstad Accra. ‘Feyenoord Fetteh’, staat er met rode letters. En daaronder: ‘Football Academy’. De toevallige voorbijganger rijdt er zo langs en komt dan in een dorp waar vrouwen met zware manden op het hoofd door de straten slenteren en de predikant ’s zondags per microfoon de gelovigen tot zich roept: God is great, please come join us for prayer.

Maar eenmaal voorbij het bord en de bewaker met walkietalkie wacht een klein paradijs. Links twee kunstgrasvelden waarop kinderen een balletje trappen in de ochtendzon. Rechts een kantoorpand. In het midden een eetzaal, drie klaslokalen, een computerruimte, een spelletjeskamer en diverse slaapvertrekken. Bij het kleine broertje van de Rotterdamse voetbalclub mogen ze nooit van skyboxen gehoord hebben, voor Afrikaanse begrippen is het een luxeoord.

Waar Ajax zich na een paar jaar terugtrok uit Ghana, is Feyenoord het West-Afrikaanse land altijd trouw gebleven. Want hoewel geen speler van de Feyenoord Academie sinds de oprichting in 1999 wist door te breken in Rotterdam, schiet het project zijn doel volgens Karel Brokken niet voorbij. „Zie het als maatschappelijk verantwoord ondernemen”, zegt de Belgische manager van de voetbalschool in de ontvangsthal met bloemetjesbank. „Kinderen krijgen hier kosteloos onderdak, eten en gedegen onderwijs (de school staat geregistreerd bij de Ghana Education Service, red.). En als spelers niet voor een club in Europa in aanmerking komen, kunnen zij altijd nog in eigen land terecht.”

Het is zaterdagochtend tien uur, maar de leerlingen van de Feyenoord Academie hebben hun eerste training al uren achter de rug. Sommigen leggen na het ontbijt een kaartje, anderen doen een dutje in hun stapelbedden. Als Brokken de jongens nadert, staan ze op en salueren. „Een overblijfsel uit het Britse koloniale tijdperk”, glimlacht de manager. „Maar vergis je niet: ze zijn niet allemaal zo beleefd. Sommige spelers draaien moeiteloos mee, maar er zitten ook wat onhandelbare pubers tussen. Een aantal leefde op straat en kreeg geen scholing toen ze werden gescout.”

Om die reden geeft het volgens Brokken (57) geen pas kritiek te leveren op het werven van voetbaltalenten in ontwikkelingslanden. „Natuurlijk vinden sommige kinderen het moeilijk dat ze maar twee keer per jaar hun ouders zien. En natuurlijk worden niet al hun dromen hier bewaarheid. Maar als je moet kiezen tussen goede scholing en voeding bij Feyenoord en een arm bestaan in Ghana, Niger, Burkina Faso of Mali – want daar komen onze spelers allemaal vandaan – is de keuze snel gemaakt. Ouders zijn vaak blij dat ze een mond minder te voeden hebben. En ze stoppen hun zoon liever in de schoolbanken dan hem als arbeider op het land in te zetten.”

Door jarenlange ondervoeding wegen de spelers van de Feyenoord Academie bij hun aankomst gemiddeld tien kilo minder dan hun Europese leeftijdsgenoten. „En dat is een van onze grootste zorgen”, zegt trainer Hans van der Pluijm, die eerder FC Den Bosch en Excelsior coachte. „Heeft u de beentjes van die mannekes al eens goed bekeken? Het zijn net knakworsten. Daar blijkt weinig aan te doen, want die achterstand begint al bij de moederborst. Je kunt het hooguit wat bijsturen met krachttraining en een energierijk dieet. Maar echt inlopen lukt natuurlijk nooit.”

Gewicht is ook om andere redenen een veelbesproken onderwerp op de voetbalacademie van Feyenoord, die in samenspraak met Unicef werd opgericht. In zijn kantoor dat uitzicht biedt op de slaapvertrekken van de spelers, laat Karel Brokken zien waarom. De manager trekt een la open en vist er een roze kartonnen kaart uit. ‘Road to health chart’ staat er boven. Of vrij vertaald: weegkaart. Volgens Brokken staat bij het lichaamsgewicht van pasgeboren baby’s altijd hun leeftijd vermeld. Maar veel Afrikaanse voetballers die naar Europa willen, manipuleren de kaart om voor een paar jaar jonger – en dus financieel aantrekkelijker – door te gaan.

Vijf tot tien jaar sjoemelen, het is volgens Brokken geen uitzondering. En dat levert bij de school in Gomoa Fetteh misschien niet eens zo veel problemen op, maar wel als spelers tegen een hoog bedrag bij een topclub in het Westen zouden belanden. „Zo’n manager denkt dat hij een toptalent in huis heeft gehaald die zijn leeftijdsgenoten ver vooruit is. Blijkt het in werkelijkheid om een 27-jarige te gaan, die na een paar jaar voetballen aan zijn pensioen toe is.”

Om de leeftijdsfraude een halt toe te roepen, werkt de Feyenoord Academie sinds enkele jaren samen met twee firma’s die de echte leeftijd van potentiële aankopen nagaan. Dat doen zij door registers na te trekken, maar ook door navraag te doen bij kennissen en familieleden: is speler X nou het kind van de eerste vrouw des huizes, of toch van de tweede? Brokken: „Ook onze scouts zijn bekend met alle vormen van list en bedrog. Als zij een talent op het oog hebben gaan zij altijd even bij diens moeder langs. De ervaring leert dat zij in negen van de tien gevallen de waarheid spreekt.”

Ook tijdens de wedstrijd tegen Coconut Grove Sharks, een dag later, blijkt de leeftijdskwestie een veelbesproken onderwerp. „Kijk hem eens”, wijst coach Van der Pluijm naar een middenvelder van de tegenpartij. „Officieel is hij 21, maar ik schat hem op basis van zijn lichaamsbouw minstens vier jaar ouder in. Des te knapper vind ik het als onze relatief jonge ploeg zo’n wedstrijd toch winnend weet af te sluiten.”

De spelers van de Feyenoord Academie houden via internet en satellietontvanger dagelijks de ontwikkelingen in Rotterdam bij. In goede én slechte tijden staan zij achter hun beschermheer, al zullen de resultaten van de laatste maanden niet erg tot de verbeelding spreken. „Het liefst wil ik later voor Chelsea voetballen”, vertelt de Ivoriaanse middenvelder Traoré Sidiki (12). Zijn grote voorbeeld is geen Rotterdammer, maar een Ghanees die in Engeland voetbalt. „Ik wilde bij deze voetbalschool spelen omdat ik vijf keer per dag mag bidden”, is zijn verrassende antwoord op de vraag wat hem deed besluiten naar Gomoa Fetteh te komen. „Als moslim voel ik mij hier volledig geaccepteerd.”

Zijn ploeggenoot Zakaria Seidu (13) prijst met name het goede onderwijs bij de school. Naar zijn zeggen dongen vier clubs naar zijn gunsten toen hij bij het hoog gerangschikte Brong Ahafo speelde, maar gaf het curriculum van de Nederlanders uiteindelijk de doorslag. Na lang nadenken weet Seidu de naam van een speler van het eerste elftal van Feyenoord te produceren: Jonathan de Guzman, de middenvelder die begin dit jaar aan zijn knie werd geopereerd en tot het eind van het seizoen uit de roulatie is. Maar om hem nou een rolmodel te noemen? Zo ver wil de kleine Ghanees niet gaan.

Terug in het koele kantoor van manager Karel Brokken klinken relativerende woorden. Niet alle jongens dromen ervan om bij Feyenoord te spelen, erkent hij. Maar ze zullen de club wel altijd een warm hart toedragen. „En in het profvoetbal kan het raar lopen. De ene dag is een speler waardeloos, de volgende wordt hij de hemel in geprezen. En dat geldt voor Afrikaanse spelers misschien nog wel meer; over hun carrièreverloop valt vaak geen zinnig woord te zeggen.”

Zeker is volgens Brokken dat slechts een minderheid van de spelers in Gomoa Fetteh de mentale en fysieke gesteldheid heeft om rechtstreeks naar het eerste elftal van Feyenoord over te stappen. Wat niet zo vreemd is, want veel van de Afrikanen die in Europa tot sterren uitgroeiden, zoals Emmanuel Adebayor, Didier Drogba, Michael Essien en Samuel Eto’o, speelden eerst een aantal jaren voor subtoppers. Michael Essien kwam bij Chelsea terecht via SC Bastia en Lyon. En Abédi Ayew Pélé speelde bij Niort en Lille voordat hij bij Olympique Marseille tot wasdom kwam. De doorbraak van Afrikaanse voetballers laat volgens Brokken vaak jaren op zich wachten.

In elke leeftijdscategorie zitten volgens de Belg drie, vier jongens die kans maken om in Europa een contract te sluiten. „Ik wil geen namen noemen, want dat schept verwachtingen”, zegt de voormalig spelersmakelaar die al 23 jaar in Afrika woont en getrouwd is met een Belgische van Ghanese afkomst. „Maar veel zal afhangen van hun fysieke ontwikkeling. En van de begeleiding die zij buiten de school krijgen. Lokale makelaars staan vaak te popelen om spelers in een vroeg stadium naar Europa te loodsen. En dat werkt lang niet altijd in hun voordeel.”

Brokken heeft naar eigen zeggen nooit te maken gehad met het groeiende probleem van spelersmakelaars die jonge Afrikaanse voetballers onder valse voorwendselen naar Europa vliegen om hen vervolgens van hun paspoort te beroven. „Ghanese voetballers die een glorieuze carrière bij een Europese topclub in het vooruitzicht krijgen gesteld, maar in plaats daarvan in de illegaliteit of prostitutie belanden? Ik kan mij daar weinig bij voorstellen. Onze leerlingen hebben die weg in ieder geval nooit bewandeld. Gelukkig maar.”

Het is zondag, wedstrijddag. Twee teams van de Feyenoord Academie spelen thuis op het voor Ghanese begrippen vlakke voetbalveld, tegen de achtergrond van een rij palmbomen. Naar goed Afrikaans gebruik zingen en klappen de spelers voorafgaand aan de wedstrijd alsof de overwinning al is behaald. En er is een stoel gereserveerd voor de invloedrijke chief uit het dorp, die een belangrijke rol speelde bij het verkrijgen van de eigendomsrechten van het 35 hectare tellende grondgebied.

Vooral de oudere voetballers zijn snel, wendbaar en technisch onderlegd, maar ze spelen te gehaast als ze eenmaal aan de bal zijn. „Don’t rush”, werpt Van der Pluijm (59) zijn spits Kezman toe na het zoveelste balverlies. „Keep your eye on the ball. Don’t dribble.” Hij maant zijn spelers keer op keer om zich te organiseren. „Jullie geven veel te veel ruimte weg. Blijf betrokken!”

In Ghana hebben clubs geen jeugdopleiding, legt Van der Pluijm na afloop van de met 3-2 gewonnen wedstrijd uit. „Spelers kunnen veel balgevoel hebben, maar ze zijn nauwelijks bekend met de technische principes van het voetbal. Ons doel is om hun de Hollandse manier van spelen bij te brengen: snelle, korte combinaties, een natuurlijke drang naar voren en veel technisch inzicht.”

Met enige trots meldt Van der Pluijm dat de ‘Hollandse school’ eerder deze maand furore maakte tijdens het African Nations Championship, waarbij de ‘Black Stars’ van Ghana tot de finale wisten door te dringen. „Vier van de spelers uit het nationale team zijn door onze staf opgeleid. Een beter bewijs dat wij hier goed bezig zijn bestaat er niet.”

Als het aan technisch directeur Sam Arday ligt spelen er over vijf jaar drie Ghanese spelers bij het eerste elftal van Feyenoord. Maar ook als die doelstelling niet bereikt wordt, beschouwt de zestiger het project in Gomoa Fetteh niet als een mislukking. „Feyenoord is het beste dat ons land kon overkomen”, zegt de man die zichzelf onsterfelijk maakte toen hij Ghana als eerste Afrikaanse land naar een olympische voetbalmedaille leidde, bij de Spelen van 1992 in Barcelona. „We beschikken over moderne faciliteiten, hoogopgeleide leerkrachten en trainers die een schat aan ervaring uit Europa hebben meegebracht.”

Bij de school, die Feyenoord jaarlijks ruim drie ton kost maar die zichzelf op termijn met lokaal sponsorgeld en transferinkomsten hoopt te bedruipen, werken in totaal 35 Ghanezen: van tuinlieden en veiligheidsbeambten tot koks en leraren. De impact die de academie op haar omgeving heeft mag volgens Arday niet worden onderschat. „Ik beschouw Feyenoord als een belangrijke schakel in de ontwikkeling van Afrika”, zegt de technisch directeur in zijn minuscule kantoor, waar een foto van Louis van Gaal herinnert aan de tijd dat de Ghanees stage liep bij Ajax. „Feyenoord geeft onze jongens een leven. Daarvoor sla ik nog elke dag een kruisteken.”