‘De meermin is niet te negeren’

In de Portugeestalige wereld was hij al langer een grote naam. Nu is de Angolese kosmopoliet José Eduardo Agualusa ook internationaal doorgebroken. „Mismaakten zijn mijn obsessie.”

José Eduardo Agualusa: ‘Het is in Nederland moeilijker om een lift te bezetten en die om te toveren in een woning’ Foto Jordi Burch Burch, Jordi

Sinds de Angolese schrijver José Eduardo Agualusa (Huambo, 1960) begin jaren tachtig vanuit Angola naar Lissabon trok om landbouwwetenschappen te studeren, heeft hij een kolossale productiviteit aan de dag gelegd. In 1989 debuteerde hij met de roman A Conjura (De bezwering), waarna inmiddels zeven romans en tien verhalenbundels volgden, alsmede een poëziebundel, en een tweetal theaterstukken en reisboeken. En dat was niet het enige. Hij werkte als onderzoeksjournalist en columnist, presenteerde tv- en radioprogramma’s (over Afrikaanse poëzie en muziek), en begon hij een uitgeverij gericht op Portugeestalige Afrikaanse schrijvers.

Het zal deels ongetwijfeld aan de Portugese taal liggen dat Agualusa – die in de lusofone wereld al langer een grote naam had – ‘pas’ in 2007 internationaal doorbrak, met de roman De Handelaar in Verledens (2004), waarvoor hij in dat jaar de Independent Foreign Fiction Prize ontving. Ook de opvolger daarvan, onlangs in het Nederlands verschenen als De vrouwen van mijn vader (besproken in Boeken, 23.01.09), werd internationaal goed ontvangen.

Een terugkerend element in Agualusa’s boeken is dat het niet eenvoudig is om te onderscheiden waar de werkelijkheid ophoudt en fantasie begint. Dat geldt voor de lezer, die gemakkelijk op het verkeerde been wordt gezet door Agualusa’s gebruik van journalistieke technieken en zijn introductie van historische figuren en gebeurtenissen. Maar evenzeer geldt het voor de figuren in zijn boeken zelf. Die moeten zich staande zien te houden in een wereld die van (soms fantastische) verhalen aan elkaar hangt en waarin weinig is wat het lijkt.

De zoektocht naar identiteit is daarbij een belangrijk thema. In De handelaar in verledens levert de hoofdpersoon op bestelling kant-en-klare levensgeschiedenissen en identiteiten, inclusief herinneringen en officiële documenten, onder meer aan mensen die wegens duister verleden tijdens de Angolese burgeroorlog om een nieuw levensverhaal verlegen zitten. En in De vrouwen van mijn vader onderneemt de vrouwelijke hoofdpersoon een zoektocht door Afrika naar de man van wie ze juist heeft vernomen dat hij haar vader zou zijn. Bij Agualusa is identiteit steevast een luchtspiegelende constructie, onderwerp van een zoektocht met onduidelijke uitkomst.

Zoals ook bij José Eduardo Agualusa zelf. Hij werd geboren uit Portugese emigranten met deels Braziliaanse voorouders, maar woont sinds lang overal en nergens: in Angola, Brazilië, Portugal. Dat wil zeggen, als hij al niet wegens een beurs in Europa verblijft of ergens onderweg is. Dat hij door sommigen met Mia Couto en Coetzee tot de ‘Grote Drie van de Afrikaanse literatuur’ is gerekend is natuurlijk leuk, zegt Agualusa, maar dat betekent nog niet dat hij zichzelf nadrukkelijk als Afrikaans schrijver ziet. „Ik ben schrijver. Ik heb een Angolees paspoort, en Angola is een Afrikaans land. Ik ben dus een Afrikaans schrijver. Maar het houdt me niet overdreven bezig, net zomin als het me irriteert wanneer ik wegens het magisch-realistische aspect van mijn werk een typisch Afrikaanse schrijver wordt genoemd.”

Toen Gabriel García Márquez in 1977 Angola bezocht zei hij in een interview dat hij nu de relatie tussen Afrika en Columbia had begrepen, en vooral, dat het zogenaamd magisch-realistische in zijn boeken uit Afrika afkomstig was.

„In Afrika is het magisch-realistische nog altijd sterk aanwezig omdat het magische een constante is in bijvoorbeeld Luanda, de hoofdstad van Angola. Dat komt door de aanwezigheid in Luanda van een grote groep mensen met een rurale achtergrond, voor wie geen duidelijke grens bestaat tussen het fantastische en de werkelijkheid. In Latijns-Amerika ligt dat anders. De bekendste Braziliaanse schrijvers zijn schrijvers met een stedelijke achtergrond en ze schrijven over de wereld van de stad.

„Achter mijn appartement in Luanda ligt een meer. De mensen die daar wonen, geloven echt dat zich in dat meer een meermin bevindt. Wie een boek over de werkelijkheid wil schrijven kan moeilijk aan die overtuiging voorbijgaan. Daarnaast is sprake van een – eveneens rurale – traditie van verhalen vertellen die tot voor kort nauwelijks door de aanwezigheid van tv, bioscopen, etcetera werd verstoord. Totdat ik in Portugal ging studeren, wist ik amper wat televisie was. Ik ben grootgebracht in een huis vol mensen, in een grote familie waar veel verhalen werden verteld, en wie verhalen vertelt, verfraait en verzint details, soms buitensporige. Mujimbo (roddel) speelt in Angola in het dagelijks leven een belangrijke rol. De grens tussen fantasie en werkelijkheid is diffuus.”

U toont zich in uw boeken een geïntrigeerd waarnemer van die magische werkelijkheid, maar er zijn ook schaduwzijden.

„In mijn nieuwe boek schrijf ik onder meer over zogeheten heksenkinderen. Die kinderen worden vervolgd, vergiftigd, levend verbrand. Ook dat is het gevolg van de aanwezigheid van het wonderbaarlijke. Mensen geloven echt dat die kinderen heksen zijn, dat ze malaria veroorzaken etcetera. In Angola bestaan nu dorpen waar die heksenkinderen samenwonen. Natuurlijk zijn het geen heksenkinderen. Het zijn vervolgde kinderen. Slachtoffers van die magische werkelijkheid. Zoals albino’s vaak worden vervolgd omdat mensen geloven dat de hersenen van albino’s een vocht produceren dat aids kon genezen.”

Was die mythe de reden waarom u een albino als hoofdfiguur in ‘De handelaar in verledens’ koos?

„Nee. In mijn boeken duiken altijd minderheden op, mensen die vervolgd worden, personen met een lichamelijk gebrek, veel dwergen ook. Ik sprak daar een keer over met de Spaanse schrijfster Rosa Montero. In al haar boeken spelen dwergen een rol. Ze vertelde dat ze zich daar helemaal niet van bewust was, tot critici erover begonnen, en ze besloot een boek te schrijven waarin geen enkele dwerg voorkwam. Ze deed een enorme inspanning om dat boek te schrijven, maar het wilde niet op gang komen. Tot ze op een dag opnieuw begon en het boek gelijk goed liep, waarna ze het binnen korte tijd voltooide. Ervan overtuigd erin te zijn geslaagd een boek zonder dwergen te schrijven, gaf ze naar aanleiding van de verschijning van het boek een radio-interview, en het eerste wat de journalist opmerkte was: ‘zo, dus de dwergen zijn toch weer teruggekomen?’ Toen realiseerde Rosa zich dat ze haar hoofdpersoon had gekarakteriseerd als iemand die uitzonderlijk klein van statuur was. Het is zinloos te proberen aan dergelijke obsessies te ontsnappen. Mijn obsessie is kennelijk dat ik word aangetrokken door minderheden, door vervolgden, door mismaakten.”

García Márquez zei ooit dat het magisch-realistische overal is. Ook in het Westen, maar dat we hier alleen verleerd zijn dat magische waar te nemen.

„Het is natuurlijk veel meer verborgen, en de rurale religieuze tradities waarin het magische voortleeft zijn vaak verloren gegaan. Maar in de 16de en 17de eeuw geloofden de Europeanen ook gewoon in engelen en meerminnen. En het is er nog steeds: de satanisten, het geloof in de duivel. Toen ik in Berlijn woonde, ontmoetten we een arts. Na vele bezoeken vertelde hij ons dat hij een vampier was. Hij was volkomen serieus en wilde dat wij aan zo’n vampierritueel zouden deelnemen. Als ik dus op een dag over Berlijn zou schrijven, zou ik over mijn vampier schrijven. Wat is er nu magischer dan dat?

„Dat ik dergelijke gebeurtenissen meemaak, komt denk ik omdat ik ervoor open sta. Eigenlijk vooral absurde dingen. Want nog meer dan het magisch-realistische denk ik dat in mijn boeken de aanwezigheid van het absurde belangrijk is. Misschien ook doordat in een land als Angola, waar de staat zeer zwak is, en soms zelfs afwezig, absurdistische situaties nu eenmaal vaker voorkomen.”

Wat is het verschil tussen het magische en het absurde?

„Magisch is de meermin in het meer achter mijn appartement. Absurd is als ik in een appartementencomplex in Luanda, wanneer ik de lift binnenstap, bemerk dat in die lift een opgemaakt bed staat, en dat op dat bed, onder de dekens, een heel kleine man ligt. Zoiets zal je in Nederland niet tegenkomen. Er zijn hier meer regels, die bovendien helderder zijn gedefinieerd. Het is in Nederland simpelweg moeilijker een lift te bezetten en die om te toveren in een woning. Ik vroeg de man: ‘Is dit geen lift dan?’ ‘Nee vadertje’, antwoordde hij, ‘het was een lift, nu is het een woning’.”

José Eduardo Agualusa: De vrouwen van mijn vader. Vertaling Harrie Lemmens. Meulenhoff, 351 blz. € 19,90

Lees besprekingen van Agualusa’s werk op nrcboeken.nl. Biografische informatie op agualusa.info

    • Hans van Wetering