Anton Koolhaas

A. Koolhaas geïllustreerde bundel Alles kits Acht dierenverhalen (Van Oorschot, € 25,–).
A. Koolhaas geïllustreerde bundel Alles kits Acht dierenverhalen (Van Oorschot, € 25,–).

Geen boek wordt dezer dagen meer verkocht dan Piep, het Boekenweekessay van Midas Dekkers. Onverbiddelijk staat het bovenaan de Bestseller 60. Maar je hoeft het niet te lezen. Dat vindt Midas Dekkers zelf ook. Want ook hij vindt het werk van Anton Koolhaas veel belangrijker dan dat van hemzelf. Gisterochtend nog stond hij in de Vondelstraat in Amsterdam waar een plaquette werd onthuld op het oude woonhuis van Koolhaas. Het is een van de vreemde zaken van de Boekenweek: tussen alle massaproductie en kletsschrijvers wordt ineens een geweldige schrijver aan de bijna-vergetelheid ontrukt. Zo ook Koolhaas. Op de plaquette staat het citaat ‘Ik zit in alle figuren, al zijn het regenwormen’. Ongetwijfeld dus ook in de mier die de hoofdfiguur is uit het openingsverhaal van de geïllustreerde bundel Alles kits (Van Oorschot, € 25,–).

Wat mensen meestal over Koolhaas zeggen is dat zijn dieren net mensen zijn. Dat lijkt te wijzen op zo’n klassieke fabel, met één wijze les of één verwondering. Maar Koolhaas gaat veel verder.

Neem de mier: die vindt op het bordes van de Hoge Raad een suikerklont en ontdekt dat hij sterk genoeg is om het ding te verplaatsen. Zo krijgt hij een hoogmoedig toekomstvisioen: deze suikerklont naar de grootste mierenhoop ter wereld brengen en daar als een held onthaald worden. Tot zover had het een klassieke fabel kunnen zijn: hoogmoed komt voor de val. Koolhaas’ mier duwt echter kranig verder, anderhalf jaar lang. Zijn faam snelt hem vooruit, andere mieren willen hem helpen, maar worden weggestuurd. De klont slijt door het duwen, raakt uitgehold, waardoor hij er steeds verder in verdwijnt.

Alles wijst op een mislukking, de mier rekent nergens meer op, maar hij houdt vol. Intussen wordt hij van een sterke mier een oude moede mier. Het laatste deel van zijn reis wordt hij omringd door andere mieren, voor wie hij nu al een held is. Hij bereikt de mierenhoop en sterft.

Daarmee is het verhaal nog niet voorbij. Koolhaas beschrijft hoe de heldenverering van de andere mieren gestalte krijgt. Ze kissebissen over de laatste woorden van de heldenmier: waren dat ‘Vergeef me’ of ‘Vergeet me niet’? Uiteindelijk besluit men dat de klont ook het graf van de mier zal zijn, al verdwijnt dat monument: ‘Er waren in die tussentijd heel wat jonge mieren bij gekomen, die van niets wisten en voor wie suiker suiker was.’

Zo schrijft Koolhaas in zeven pagina’s een verhaal dat zo tjokvol thema’s zit dat het je zou doen duizelen, als je niet al uit het lood geslagen was door het lot van de mier. De laatste woorden van deze mier, waar Koolhaas in moet zitten, moeten ‘vergeef me’ zijn geweest. Want dit verhaal vergeten, nee, dat zit er niet meer in.

Arjen Fortuin