Ontwikkelingshulp? Help de natuur in plaats van corrupte regimes

Corrupte regimes zijn van alle tijden, is een ecosysteem eenmaal verdwenen dan keert het niet meer terug. Dan verdwijnt voor arme landen de mogelijkheid om zelfstandig voor het welzijn van de bevolking te zorgen.

Directeur van de Nederlandse afdeling van de International Union for Conservation of Nature, een in 1947 opgerichte unie voor natuurbehoud van bijna 900 NGO’s, 12.000 wetenschappers, 87 staten en 120 instituten.

De maatschappelijke druk op het ontwikkelingsbudget (0,8 procent van het bruto nationaal product) is sinds de financiële crisis toegenomen. Dat het anders moet, staat buiten kijf. Feit is dat in Nederland en veel Europese landen – ondanks de crisis – de belangstelling voor duurzaamheid niet is afgenomen, hoewel de uitvoering ervan door het ‘oude’ economisch denken vertraagd dreigt te worden.

Veel economen gaan er nog steeds van uit dat de economie oneindig door kan gaan met het op oude voet ‘oogsten’ van grondstoffen en diensten, zonder ‘terugbetaling’ aan het ecosysteem. Ze blijken niet op de hoogte van tal van studies, zoals het baanbrekende Millennium Ecosystem Assessment uit 2005 waarin 1.300 wetenschappers en economen onder de vlag van de Verenigde Naties stellen dat ecosysteembeheer en ecosysteemdiensten mee moeten worden gewogen in het economisch bestel. Al in 1997 publiceerden Robert Constanza e.a. in Nature dat de economische waarde van mondiale ecosystemen en diensten 33 duizend miljard dollar bedraagt. Onlangs berekende de vooraanstaande econoom Pavan Sukhdev, in de studie The Economics of Ecosystems and Biodiversity dat het economisch verlies, ontstaan door ontbossing, de wereldbevolking 1,3 à 3,1 duizend miljard dollar per jaar kost. Daarnaast deel ik de mening van de Zambiaanse econome Dambisa Moyo die stelt dat begrotingssteun kritisch moet worden bekeken, omdat die vaak corruptie en zelfverrijking in de hand werkt (NRC Handelsblad, 7 maart). Echter, in haar relaas ontbreekt iets. Als Harvard-econome ziet ze niet dat de bestaansbasis van een duurzame economie in haar land – evenals in de meeste andere armere landen – ligt in het ecologisch substraat. Wat dat betreft kan Moyo nog wat leren van Sukhdev.

Dat een nieuwe vorm van ontwikkelingshulp of internationale samenwerking veel meer aandacht moet hebben voor deze problematiek lijkt mij evident. Het duurzaam beheren en behouden van essentiële ecosystemen als regenwouden, savannes, wetlands en de daarbij behorende biodiversiteit is dringend noodzakelijk voor de landbouw en het menselijk welzijn in ontwikkelingslanden. Eenmaal verdwenen, komen deze ecosystemen en hun diensten als leverancier van schoon water, het vasthouden van de bodem, lokale klimaatstabilisering, vastlggen van CO2 niet meer terug. Ook de biodiversiteit is definitief verdwenen. Op de langere termijn verliezen dit soort landen dan ook de ecologische asset die hen in staat kan stellen om zelfstandig voor het welzijn van hun bevolking te zorgen.

Een groter deel van de 0,8 procent van het voor ontwikkelingshulp bestemde Nederlandse bruto nationaal product moet daarom worden ingezet voor ‘ecosysteemsteun’, in plaats van bijvoorbeeld de begrotingssteun waar Moyo het over heeft. Inmiddels zijn er voldoende sterke lokale organisaties die projecten gericht op het duurzaam beheren van ecosystemen samen met de plaatselijke bevolking goed kunnen uitvoeren. En in een land waar 4 miljoen mensen lid zijn van natuur- en milieuorganisaties zal het naar mijn idee ook niet aan maatschappelijk draagvlak ontbreken voor een dergelijke maatregel.

    • Willem Ferwerda