Mat in drie zetten

Boekenweekauteur Tim Krabbé vergelijkt schrijven vaak met het ontwerpen van schaakproblemen. Met zo min mogelijk elementen probeert hij het verhaal dwingend naar het einde te sturen.

Koning schaakstuk
Koning schaakstuk

Zo ziet een groot schrijver eruit: Willem Reiff, auteur van vuistdikke diepgravende werken, een man van wie ‘ieder nieuw boek [...] over zeven kolom besproken werd door de hoofdrecensent, in vestingmuren bij de boekhandel lag, prijzen won.’ Maar is deze man ook een goed schrijver? Nee. Hij is ‘een zwetser, een bladvuller, een alsmaardoorschrijver. En er was nooit iets te zien bij Reiff; hij ging overal vóór staan – je zag hèm, vierhonderd, zeshonderd bladzijden lang, boek na boek na boek.’

Willem Reiff is een belangrijke bijfiguur in Marte Jacobs, de roman waar de Stichting CPNB zó van onder de indruk was, dat Tim Krabbé (1943) dit jaar het Boekenweekgeschenk mocht schrijven. Dat was welbeschouwd een opmerkelijke keus. Zoals Krabbé zelf in deze krant opmerkte: ze hadden hem ook tien jaar geleden kunnen vragen. Of vijftien. Terwijl – in sporttermen – Krabbé de meeste Boekenweekauteurs makkelijk kan hebben.

Een auteur als Willem Reiff (‘hij ging overal vóór staan’) zou eerder gevraagd zijn dan Krabbé. De wereld houdt van schrijvers die ook een beetje kunnen spelen dat ze schrijver zijn, die zelf vertellen waar hun werk over gaat en de dubbele lagen aanwijzen. Dat spaart ook leeswerk. Tim Krabbé is een ander type schrijver. Omdat hij nooit een dik boek zal schrijven, omdat hij zich niet zal laten verleiden tot gemaakte diepzinnigheid, maar vooral omdat hij nooit vóór zijn boeken zal gaan staan. Liever zou hij achter ze verdwijnen. Nu ja, en dan zijn hoofd om de hoek steken om ze aan te prijzen. Nooit om ze uit te leggen.

Toch is er best wat uit te leggen, gezien de ijzeren regelmaat waarin bepaalde thema’s terugkeren: de (ideale) jeugdliefde, de (zelfgekozen) dood, de (verstikkende) liefde tussen ouders en kinderen en – altijd maar weer: de bedrieglijke relatie tussen werkelijkheid en verbeelding.

Van Krabbé hoor je hooguit: „Ik schrijf verhalen. Wat er vervolgens aan thema’s in te vinden is, maakt deel uit van de creativiteit van de lezer.” Hij houdt zijn kaarten tegen de borst. Waarmee hij paradoxaal genoeg een misverstand voedt: dat hij niets over zijn werk zegt omdat er niets over te zeggen valt. Het modelletje is simpel: neem een schrijver die van plots houdt, boeken die niet vrij zijn van strafbare feiten en het moet haast wel over thrillers gaan. Zo’n in alle opzichten oppervlakkige interpretatie wordt nog versterkt doordat Krabbé de Gouden Strop won voor Vertraging (1994) en bij gebrek aan weerklank bij de jury’s zijn boeken niet meer instuurt voor literaire prijzen.

Nu heeft het werk van Krabbé ook wel iets met het thrillergenre gemeen: wie het wil begrijpen, moet beginnen bij de plot. Dat doet hij zelf ook. Krabbé bedenkt eerst de loop van het verhaal, schrijft dan een zeer ruwe versie en gaat dan schaven en bijwerken, tot de compositie perfect is.

Krabbé vergelijkt het schrijven graag met het ontwerpen van schaakproblemen. In voltooide vorm kennen ook kleine schakers die wel: een bord met een stelling en een opdracht in de trant van: wit geeft mat in drie zetten. Helder. De schoonheid zit echter maar gedeeltelijk in de oplossing. Veel meer gaat het om de wijze waarop die zetten gedaan worden, die moet iets elegants hebben, of liever nog een thema. Bijvoorbeeld drie zetten met een toren. Of het gebruik van een bepaalde route over het bord. Dat maakt het werk van de componist al moeilijker. Bovendien moet de ‘winnende’ zettenreeks de enig mogelijke oplossing zijn. Een aanvullende esthetische eis is dan nog dat er zo weinig mogelijk stukken gebruikt worden.

Daarmee staan we ineens midden in de boeken van Tim Krabbé. Altijd maar weer probeert hij met zo min mogelijk elementen zijn verhaal zo dwingend mogelijk naar het einde te sturen. In zijn eerste grote roman, De renner (1978), gebruikte hij daar een kunstgreep voor: de structuur van een sportwedstrijd dwingt de karakters hoe dan ook een bepaalde kant op – die van de finish. In Het Gouden Ei, Krabbés andere everseller, is dat nog sterker. Het gaat in dat boek niet om het gruwelijke lot dat de Nederlandse hoofdfiguren Rex en Saskia ondergaan. Het meesterschap van Krabbé schuilt vooral daarin dat hij zijn personages zo heeft getekend dat hij je de absurde afloop als de enig mogelijke laat ervaren. Wie een goede Krabbé uit heeft, weet: dit kón niet anders aflopen.

Iets spiegelbeeldigs geldt voor de mindere werken. In Vertraging duurt de vlucht van de hoofdpersonen eigenlijk te lang, alsof het schaakmat geen drie maar zeven zetten kost. Het Boekenweekgeschenk van Krabbé lijdt eronder dat zowel aan het begin als aan het eind zo veel wordt weggegeven dat het lijkt alsof de componist van het schaakprobleem een grote klodder rode verf op de koning heeft gesmeerd: let op, hij gaat het doen!

Het schaakspel mag dan een sleutel zijn tot hoe Tim Krabbé schrijft, het verklaart nog niet wat hij schrijft, althans niet op het eerste gezicht. Het hele oeuvre is doordrongen van de kracht van de liefde, meestal de jeugdliefde, die bij Krabbé vaak de enige ware liefde is. Die liefde is heerlijk, onbegrepen, kort en onvoltooid. Niet zelden eindigt zij in de dood (De werkelijke moord op Kitty Duisenberg, Marte Jacobs, Het Gouden Ei, het Boekenweekgeschenk). Op latere leeftijd proberen de hoofdpersonen die liefde terug te halen: door te begrijpen (Marte Jacobs, Het Gouden Ei), door de persoon in kwestie op te zoeken (Vertraging). Of door een tussenvorm: verliefd worden op de dochter in Kathy’s dochter.

Die laatste roman is een sleutelboek. De plot is simpel. De hoofdpersoon begint een verhouding met de volwassen dochter van de vrouw (net overleden) met wie hij decennia eerder zijn eerste grote liefde beleefde. Over haar schreef hij ook ooit een mislukte en ongepubliceerde roman.

Tim Krabbé (hoofdpersoon en schrijver) ziet zo een van zijn thema’s optreden in zijn eigen leven: ‘de hereniging met de geliefde in de dood’. Maar meer nog dan om die tamelijk oppervlakkige zin gaat het om het besef dat Krabbé meemaakt wat hij zelf heeft bedacht, dat de wereld zich naar zijn fictie heeft gevoegd. Dat besef geeft het begin van Kathy’s dochter een extatische spanning, die overigens in de loop van de maar half geslaagde roman wegzakt.

De verhouding tussen wat iemand bedenkt en wat er vervolgens gebeurt is de rode draad in Krabbés oeuvre. Steeds denken zijn personages aan hun afwezige geliefden, fantaseren ze over hoe het geweest had kunnen zijn of over hoe het gaat worden. Je zou het what-if literatuur kunnen noemen. In Het Gouden Ei probeert Rex te reconstrueren wat Saskia overkomen kan zijn (en overdenkt Lemorne scenario’s voor de ontvoering van een jonge vrouw). In Vertraging probeert Jacques Bekker zich een voorstelling van zijn Vlaamse jeugdliefde te maken (en van hoe hij in Nederland gemist wordt). In Marte Jacobs probeert Emile Binenbaum te bedenken waarom Marte hem heeft verlaten (en waarom zij een einde aan haar leven maakte). In het Boekenweekgeschenk piekert Fred over het lot van zijn zoon (en breekt de zoon zich het hoofd over waarom zijn lief hem verkiest boven haar verloofde). En in Drie Slechte Schaatsers verbeeldt een gescheiden vader zich hoe het óók had kunnen lopen.

Dat constante vooruitdenken is een fundament onder de spanning die Krabbés boeken altijd in zich dragen. De scenario’s in de hoofden van de personages benadrukken de onzekerheden, de onduidelijkheid over de toekomst. Wat ze vervolgens doen, is wat een schaker ook zou doen: proberen een paar zetten vooruit te denken. Heel vaak gaat het dan om interactie met het voor mannen lastig kenbare fenomeen vrouw: wat doet zij als ik dit doe? En als ik daarna nog dat doe? En hoe loopt het dan allemaal af?

Krabbé gebruikt die techniek zo vaak dat je er een maniertje in zou kunnen zien. Het zou passen in het beeld van Krabbé als in wezen oppervlakkig auteur, als halve thrillerschrijver. Ik denk dat het vooral past in het beeld van de oppervlakkige Krabbé-beschouwing.

Eigenlijk is er veel meer aan de hand. Want dat schaakdenken (om het zo te noemen) is in de eerste plaats een bezwering: een impuls van mensen die het overzicht verliezen, die onzeker zijn over de realiteit. Laten we maar fantaseren over de mooiste liefde, dan kan niemand ons die nog afnemen. Want de waarheid zal wel minder te bieden hebben.

Als het bij dat element in zijn werk zou blijven, had Krabbé een softe, zweverige liefdesschrijver kunnen zijn, waarin de karakters de droom boven de daad verkiezen.

Dat doen ze echter niet, nooit. Want ook in een ander opzicht zijn ze schakers – of eigelijk gewoon sporters. Ze willen winnen. En dat kan niet in de verbeelding, dat moet in de echte wereld gebeuren. Dus kunnen ze het leven niet op zijn beloop laten. Dat geldt voor de Ronde van de Mont Aigoual (De renner) evenzeer als voor Rex’ zoektocht naar de waarheid over Saskia in Het Gouden Ei.

En heel vaak gaat het om de strijd tegen de druk die wordt gegenereerd door de eisen van de buitenwereld. Zoals Bram in het Boekenweekgeschenk te maken krijgt met wat zijn vader van hem wil. Of sociale druk – de meeste van deze mannen staan alleen tegenover de buitenwereld, ze hebben geen vrienden. Emile Binenbaum strijdt in Marte Jacobs tegen wat anderen denken dat een schrijver moet zijn. Zoals Tim Krabbé dat gevecht misschien zelf ook wel voelt.

Dat doen ze omdat ze zich niet willen laten verslaan. Bij dat competitie-element hoort een uitslag, een heldere afloop. Vandaar dat Krabbés romans vrijwel nooit een open einde hebben: soms is de betekenis meerduidig, maar de feiten zijn aan het eind van de rit boven tafel. Voor niet alle boeken is dat een zegen, maar Krabbé is waarschijnlijk te veel sportman om van een finishlijn af te kunnen zien.

Dat is ook niet erg. De spanning in het hart van Krabbés werk schuilt juist in de confrontatie tussen het gevoel dat een leven in de verbeelding veel mooier en aangenamer zou kunnen zijn en aan de andere kant de vaste wil om te winnen in het echte leven.

Zo krijgt elke Krabbé-roman een zelfde, vaak zinderende climax: het moment dat al die van tevoren bedachte scenario’s de toets van de realiteit moeten doorstaan. Het gaat om het moment waarop dat Rex Hofman beseft dat hij zijn leven moet offeren om de waarheid in Het Gouden Ei te ontdekken, waarop in De renner de finale sprint wordt ingezet, waarop Emile Binenbaum een boek van zijn rivaal Reiff koopt om de waarheid over Marte Jacobs te ontdekken.

Dan knetteren zijn boeken van spanning en intensiteit, trappen ze de verhouding tussen een mens en zijn omgeving (of zijn lot) op de staart. Zoals voor een schaker de magie niet schuilt in de slotstelling waarin alles beslist is of in alle varianten die hij zijn hoofd zitten, maar in het overgangsmoment daartussen. Het moment waarop de schaker zijn hand uitsteekt, een stuk pakt en zijn koning op het midden van het schaakbord zet – op de kwetsbaarste plaats van allemaal.

Lees de recensie van ‘Een tafel vol vlinders’ door Pieter Steinz op nrcboeken.nl. Of bekijk de eerste aflevering van de wekelijkse rubriek ‘NRC Leest’ (over het boekenweekgeschenk van Tim Krabbé) via nrc.tv/video