'Ze moeten een Vinexhond maken'

Middas Dekkers schreef het Boekenweekessay. Voor een roman zijn dieren volgens hem ideale hoofdpersonen. „Om jezelf beter te leren kennen, moet je de dieren bestuderen.”

Haarloze rex Foto Blythe83 Devon Rex kat Foto: Blythe83 katten
Haarloze rex Foto Blythe83 Devon Rex kat Foto: Blythe83 katten Blythe83

Midas Dekkers is geen bioloog met bemodderde kaplaarzen. „Ik ben een binnenbioloog”, schreef hij ooit in een column. „Terwijl de buitenbiologen het natuurlijk evenwicht hier en daar een goed gemikt zetje geven, schaaf ik binnenshuis wat aan een stukje of lees een boek.” Niet het bos is zijn biotoop, maar de bibliotheek.

Dekkers (1946) woont in het oude gemeentehuis van Weesperkarspel, gebouwd in 1867. In de voormalige raadszaal, zijn werkkamer, heeft hij zich omringd met boeken. „Als je mijn hersenen wilt onderzoeken, dan hoef je niet mijn schedel open te zagen. Je kunt gewoon in mijn boekenkast kijken om te weten wat mij interesseert.” Er staat bijvoorbeeld: Het nieuwe chemieboek voor jongens (uit 1947), Weg met Piet Vroon, Raped by her pet en het onlangs verschenen Darwin in domineesland. In een antieke vitrinekast staan en liggen opgestopte muizen, een opgezette mus, de mummies van een volwassen kat en van een jong poesje, schedels van apen en dolfijnen en de foetus van een lama.

In deze voorname kamer met uitzicht op de Vecht tikte Dekkers op een bakbeest van een typemachine een dun boekje:Piep, Een kleine biologie der letteren, het Boekenweekessay dat volgende week in een oplage van 95.000 verschijnt.

„Schrijven is een verschrikking”, zegt Dekkers. „Ik wens het mijn ergste vijand niet toe. Alsof je kubusvormige drollen poept. Ik ga liever naar de tandarts dan dat ik een column moet schrijven.”

Voordat Dekkers achter zijn typemachine kan gaan zitten, moet hij eerst zijn lichaam tot rust hebben gemaand. Dat doet hij door rondom een grote houten tafel te ijsberen. „Ik kan niet nadenken zonder te ijsberen. Overigens ben ik niet de enige die dat doet. Mijn grote held Charles Darwin had achter in zijn tuin een parcours aangelegd, the sandwalk. Aan het begin van de sandwalk legde hij een hoop met steentjes. Elke keer als hij een rondje had gelopen, stiet hij automatisch een van die steentjes weg. Zo hield hij bij hoeveel rondjes hij had gelopen. Darwin bedacht de evolutietheorie niet op zijn reis naar de Galapagoseilanden, hij bedacht die op de sandwalk.”

Als Dekkers eenmaal achter zijn typemachine heeft plaatsgenomen, moet hij zijn oren tot rust manen. Daarvoor zet hij een muziekje op dat hij gedurende het schrijven eindeloos zal herhalen, zodat hij het niet meer hoort. Bij elk boek een ander muziekje. Bij Piep waren dat liedjes van Gene Autry (1907-1998), beter bekend als The Singing Cowboy. „Zo’n filmcowboy te paard, met een iets te grote hoed, in zijn ene hand het leidsel, in zijn andere hand de gitaar. Zijn zang gaat net achter de maat aan, als een hobbelend paard.”

Het onderwerp voor zijn boekenweekessay wist Dekkers meteen. Het verbaast hem al heel lang dat dieren in romans zelden hoofdpersonen zijn. „Gaat het eens over dieren”, schrijft hij, „dan zal het wel een kinderboek wezen of – nog erger – een kookboek.” Maar lezen doe je volgens Dekkers om te kijken wat er in een ander omgaat: iemand van het andere geslacht, een ander volk, een andere tijd. „En wie is er anderser dan het dier?”

De kijk op menselijk gedrag is de afgelopen halve eeuw revolutionair veranderd, zegt Dekkers. „Voor die tijd werd de verklaring van ons gedrag voornamelijk gegeven door Freud, die dacht dat je karakter gevormd werd door de ervaringen die je tijdens je zeer jonge leven opdeed. Nou, Freud is, dacht ik, inmiddels wel afdoende ontmaskerd als oplichter, charlatan en wetenschappelijke kneus. We hebben een betere manier om menselijk gedrag te verklaren, namelijk de ethologie. Om jezelf beter te leren kennen, moet je de dieren bestuderen. Een heleboel aspecten van ons gedrag zijn te vinden bij onze verwanten, de apen, maar ook bij iets minder verwante zoogdieren. Er zijn zelfs onderzoekers die menen bij insecten gedragspatronen aan te treffen die ook voor mensen gelden. In de boekwinkel liggen daarom terecht hoge stapels met boeken van Charles Darwin en Frans de Waal, maar in de literatuur is Freud nog springlevend. Romanschrijvers blijven wroeten in het onbewuste en in familierelaties, op zoek naar trauma’s. Dat ergert mij.”

Het thema van de boekenweek is ‘Tjielp Tjielp – de literaire zoo’. Dat daardoor boeken van in vergetelheid rakende schrijvers, zoals Anton Koolhaas en Dick Hillenius, opnieuw worden uitgegeven, doet Dekkers veel plezier. „Het is sowieso sinterklaastijd voor mij, want het is ook nog Darwinjaar.” Op één boek in het bijzonder verheugde hij zich al lang: Medereizigers van Rudy Kousbroek. „Och, wat heb ik naar dat boek uitgezien. Zoals Kousbroek schrijft over de relatie tussen mens en dier is onovertroffen. Natuurlijk beschikt hij over een van de grootste verstanden ter wereld, maar hij zet ook zonder enige gêne zijn hartje wijd open.”

In het overweldigende gevoel voor zijn poezen voelt Dekkers zich soms verwant met Kousbroek. Hij heeft er drie: Emma, Floor en Bart. De poezen hebben zich, meteen toen ze de deurbel hoorden, uit de voeten gemaakt en ergens in huis verschanst. „Mijn poes Bart is in mijn gedachten nog altijd een jong poesje. Ik hoef maar een stukje oor boven het bankstel uit te zien steken of ik smelt. Hij hoeft maar even met zijn staart te trekken, of een klein glimlachje op zijn kop te krijgen, en ik word een absolute sentimentele dwaas. Kousbroek kan die momenten zo mooi beschrijven. De wanhoop die je dan overvalt. Dat gevoel van ontoereikendheid.”

De dood van zijn poezen is het ergste dat Dekkers kan overkomen. „Van alleen al de gedachte word ik letterlijk onpasselijk. Ja, ik weet dat de dood van een mens belangrijker is dan de dood van een poes, maar toch kom ik ongeschondener uit een mensenbegrafenis dan uit een begrafenis van een poes. Voor het rouwen om mensen zijn er alle mogelijke rituelen die in de loop van de ene beschaving naar de andere beschaving zijn verfijnd. Voor het rouwen om je huisdier bestaan geen rituelen. Het is een heel verschil of je tussen een heleboel rouwende mensen in een rouwzaaltje naar het voeteneinde van een houten kist zit te kijken of dat je van de dierenarts komt met het dood gespoten lijkje van je lieveling nog warm en dat je voor dat warme lijk een gat moet graven. Ik ben een vrij evenwichtig samengesteld mens, maar op zo’n moment ben ik volledig van mijn stuk.”

In Dekkers’ tuin ligt ook een haarloze rex begraven. „Een vriendinnetje kweekte dit soort haarloze poezen. Ze had een nestje en wist mij ervan te overtuigen dat ik ook zo’n jong poesje moest nemen. Het is de verschrikkelijkste ervaring uit mijn leven geworden. Als je zo’n poesje vastpakt, voelt het van buiten net zo warm als van binnen. Je grijpt in 38 graden Celsius, alsof je hand in die poes verdwijnt. Dat is een heel onaangename ervaring. Ik heb erg mijn best gedaan om van dit merkwaardige wezen te gaan houden. Daar ben ik een week mee bezig geweest en toen lag ’ie dood op de bank. Zo stijf als een plank. Je kon hem aan zijn staart oppakken en dan tilde je ’m als een kaasplankje op. Ik heb ’m heel diep in de tuin begraven, vloekend op alles en iedereen die zo’n prachtig dier als de poes heeft geperverteerd tot dit buitenaardse mormel.”

Wat zo mooi is aan een poes als huisdier, zegt Dekkers, is dat een poes zich – in tegenstelling tot een hond – nooit verveelt. „Ik haat hondenfokkers. Honden zijn ooit gefokt om te waken, te jagen of hard te rennen. Nu zitten ze werkeloos thuis. Gezien de moderne taken van een hond in een modern Vinexgezin zou je een Vinexhond moeten maken. Een hond die precies op de achterbank past, die kleurt bij de gordijnen, genoeg heeft aan één keer eten in de twee dagen, lief is tegen kinderen en zichzelf kan uitlaten. De hond is een van de meest verfokbare dieren, het zou makkelijk kunnen, maar de fokkers doen het niet. Stelletje lummels.”

Liefde tussen mens en dier is volgens Dekkers „een gigantisch misverstand”. „Maar wel een heerlijk misverstand.” Volgens Dekkers kunnen mensen niet van dieren an sich houden. „Mensen zijn niet ter wereld gekomen om van woestijnratjes en goudvissen te houden. Mensen zijn ter wereld gekomen met slechts het vermogen om van andere mensen te houden. Wat mensen wel kunnen, is in dieren, en zelfs in dingen, menselijke trekjes ontwaren en daar ontzettend veel van houden. Mensen houden niet van een hond omdat hij kwijlt en stinkt en uitgelaten moet worden. Ze houden van het menselijke in een hond: dat ’ie je trouw aankijkt en het geluid van je auto herkent als je thuiskomt.” Omgekeerd geldt volgens Dekkers precies hetzelfde. „Zoals wij menselijke trekjes in poezen herkennen, zo herkennen poezen gelukkig ook poesachtige trekjes in ons. Het is een godswonder dat mijn poes iets in mij ziet, maar het moet wel zo zijn, want zij doet tegen mij net als tegen haar moeder. Het allermooiste wat je kan overkomen – als een poes echt heel veel van je houdt – is dat hij op je afkomt met zijn staart stokstijf in de lucht, alleen het puntje geknikt, terwijl hij je strak aankijkt en een beetje scheef loopt. Dat is de ultieme uitnodiging van het poezenrijk aan het mensenrijk. Ze wil dan dat je – net als haar moeder – haar gatje likt.”

Als het waar is wat Dekkers zegt, dat wie de mens wil begrijpen dieren moet bestuderen, wat kunnen dieren ons dan leren over, zeg, de kredietcrisis? „Ik moet denken aan de allereerste film van chimpanseeonderzoekster Jane Goodall. Om chimpansees te lokken, had zij grote kisten met bananen meegenomen. Ik vergeet nooit het beeld van die eerste chimpansee die zich losmaakt uit het woud en richting de kist met bananen gaat. Hij stopt een banaan onder zijn linkerarm, een banaan onder zijn rechterarm, een in zijn mond, hij probeert er nog een in zijn linkerachterpoot te stoppen, totdat hij het stadium bereikt dat wanneer hij nog een extra banaan pakt, hij er een of twee verliest. De wanhoop die dat beest dan overvalt, doet me denken aan de wanhoop van de mannetjes die ons de kredietcrisis hebben bezorgd.”

En wat kunnen we daarvan leren? „In de natuur is het een feit dat de bomen niet tot in de hemel groeien. Er is maar plaats voor een beperkt aantal planten en dieren. Als er aan de ene kant iets bijkomt, moet er aan de andere kant iets af. Een natuurlijk evenwicht komt tot stand door veel narigheid: strijd, bloedvergieten, ziekten. Mensen zijn intelligenter dan dieren. Die zouden een evenwicht moeten kunnen bereiken zonder bijbehorende ellende. Maar kennelijk is de mens niet slim genoeg. We laten ons wijsmaken dat er zoiets als duurzame groei bestaat en iedereen trapt er met boter en suiker in. We zouden de vlag moeten uithangen dat het nu zo slecht gaat met de economie. In plaats van plannetjes te maken voor als straks de economie weer aantrekt, moeten we plannetjes maken voor straks als de economie op een lager pitje verder moet.”

Minder kinderen maken bijvoorbeeld. Het is een van Dekkers stokpaardjes: de onnozele vanzelfsprekendheid waarmee mensen baby’s maken. Freudianen zouden er overigens wel raad mee weten. Dekkers wil gewoon geen kinderen omdat hij zelf zo’n ellendige jeugd heeft gehad. Zijn ouders runden een café. Zijn vader dronk en sloeg zijn moeder. Zijn moeder hertrouwde en runde met Dekkers stiefvader weer een café. De stiefvader dronk ook.

„Ellendige jeugd? Ik? Ik heb een verrukkelijke jeugd gehad! Mijn ouders hadden misschien weinig tijd voor mij, maar ik leerde veel van de klanten in het café. Ik beklaag nu juist kinderen die in een vinexwijk met één vader en één moeder zitten opgesloten, zonder dat ze een doorsnede van de maatschappij zien langstrekken.

„Bij elke sociale diersoort hoort een bepaalde groepsgrootte. En iedereen die daarover heeft nagedacht, komt tot de conclusie dat mensen in een groep van ongeveer dertig thuishoren. Een voetbalwedstrijd heeft twee keer elf spelers en nog een scheidsrechter en een trainer en nog zo wat. In een schoolklas zitten een stuk of dertig leerlingen. Chimpansees leven ook in groepen van ongeveer dertig. Een vriendenkring bestaat uit ongeveer dertig vrienden en in een gezellig café passen dertig klanten. Mensen vragen mij wel eens: hoe moet ik kinderen opvoeden? Dan zeg ik altijd: als u tegen mijn beter weten in toch kinderen wilt nemen en u wilt ze goed opvoeden, koop dan eerst een café.”

Als zoon van een kastelein beziet Dekkers de huidige alcoholvoorlichting aan jongeren met grote argwaan. Het is een heel natuurlijk verschijnsel, zegt Dekkers, om te zoeken naar middelen om de geest te verdoven. Ook dieren drinken. „Als je nu naar de duinen gaat zie je struikjes duindoorns met oranje besjes. Er zijn vogels, merels bijvoorbeeld, die – hoewel er ook ander voedsel aanwezig is – speciaal van de afgevallen oranje besjes eten, omdat die gegist zijn en vol met alcohol zitten. Daar worden die vogels strontlazerus van. Ze kunnen niet meer netjes op een tak landen.”

Fruitvliegjes thuis boven de fruitschaal hebben volgens Dekkers ook een duidelijke voorkeur voor fruit dat ver heen is. „Hoe hoger het alcoholgehalte, hoe heerlijker die fruitvliegjes dat vinden.”

Maar een fruitvliegje hoeft niet naar het vwo. In de huidige voorlichtingscampagne aan jongeren wordt sterk benadrukt dat zelfs één slok alcohol al hersencellen vernietigt. „Ik betwijfel of die conclusie rotsvast is. Ik heb altijd hoge bedenkingen bij onderzoek dat nog niet tot definitieve conclusies heeft geleid, maar wel al maatschappelijk wordt toegepast.” Voor zijn boek Lichamelijke Oefening (2006) verdiepte Dekkers zich bijvoorbeeld in de vermeende positieve effecten van sporten. „De Alzheimerstichting beweert met droge ogen dat je als je veel sport minder kans hebt op dementie. Schandelijk. Dat is wetenschappelijk niet geheel onderbouwd, maar je zadelt mensen met beginnende dementie wel op met de gedachte dat ze dement zijn omdat ze niet hard genoeg hebben gesport. Deze onzin wordt alleen maar geslikt omdat sporten maatschappelijk wenselijk is. Je mag wetenschap pas omzetten in gedragsregels als je zeker bent van je zaak. En als bepaalde gedragsregels toevallig in de mode zijn, dan is mijn argwaan ten diepste gewekt.”

De zon schijnt inmiddels niet meer in de Vecht. Als het bezoek zometeen de voordeur van de voormalige ambtswoning achter zich dichttrekt, zullen de poezen weer verschijnen. „Met buitengewoon heldhaftige gezichten, alsof ze de onderduik in de oorlog hebben overleefd.” Vanavond eet Dekkers – waarschijnlijk voor de televisie en samen met zijn vriendin – stamppot met blinde vink. Omdat het dinsdag is, natuurlijk. Wat een vraag. „Wat eet u dan op dinsdag?”

Nog één ding. Als hij één minuut met zijn poes Bart zou kunnen praten, wat zou hij hem vragen? Dekkers somt meteen op: „Weet hij dat hij een poes is? Hoe is het om een poes te zijn? Weet hij dat hij een staart heeft? Gelooft hij in God en zo ja, in welke? Hoe ...” Stop, hij heeft maar één minuut. Hij mag maar één vraag stellen. Voor het eerst in het gesprek laat Dekkers een lange stilte vallen.

Dan weet hij wat hij Bart zou vragen: „Ben je gelukkig?”