Weinig Tibetaans op de Tibetaanse school

De beste leerlingen van Tibet worden door de Chinese autoriteiten elders naar school gestuurd. Weg van hun ouders, hun taal, cultuur en hun godsdienst.

Tudaquda is een slimme Tibetaanse puber van 18 jaar met een guitige oogopslag. Hij verhuisde zes jaar geleden naar Peking om te studeren aan de Middelbare Tibetaanse school bij de derde ringweg op vijf minuten afstand van het Olympisch stadion het “Vogelnest”. Zijn ouders wonen in een boerengehucht 300 kilometer van Lhasa. Omdat hij voor zijn xiaoshengcu, de Chinese versie van de CITO-toets, een uitzonderlijk hoge score behaalde, mocht hij in Peking studeren. „Alles op kosten van de Chinese overheid. Die kans kon ik niet laten lopen”, zegt Tu.

Op de school zitten 800 Tibetaanse kinderen die worden begeleid door 140 Chinese leraren. Ze krijgen les in verveloze, onverwarmde leslokalen en slapen zes jaar lang met acht personen op slaapzalen van drie bij vijf meter.

Schoolhoofd Li Zhicheng, een aimabele vijftiger, legt uit waarom Tibetaanse leerlingen in Peking naar school gaan. „In 1984 bleek het onderwijsniveau in Tibet schrikbarend laag. Er kwam een plan dat niveau op te krikken, maar al snel bleek dat te weinig Chinese leraren in Tibet wilden werken. Door Tibetaanse jongeren naar China te sturen, geven we meer kinderen de kans hun talenten te ontplooien”.

Behalve in Peking komen in nog 26 andere steden jaarlijks zo’n 1.500 Tibetaanse scholieren van Chinese scholen. De meesten studeren verder aan Chinese universiteiten. De tien meest begaafden zelfs aan de topuniversiteiten Beijda en Tsjinghua.

Li loopt door een donkere gang langs schilderijen van Chinese wijsgeren en klopt op de deur van een klaslokaal waar leraar Soulangchuzhen Tibetaanse grammaticales geeft. Boven het bord hangt een ingelijste rode vlag en ook dragen opvallend veel kinderen een button met de vlag van China. Alle klassen krijgen een uur per week Tibetaans en dat is volgens Li voldoende.

„Als de kinderen zo ver van huis zijn hebben ze toch minder behoefte om hun eigen taal te spreken en zich bezig te houden met hun cultuur en godsdienst”. Toch vindt Li dat zijn school de leerlingen alle ruimte biedt om hun religie en cultuur te praktiseren. „In China bestaat vrijheid van godsdienst dus zolang de politiek buiten beschouwing wordt gelaten, maken we geen bezwaar. Een enkele student draagt een gebedsketting of een foto van de Dalai Lama. We zijn er niet dol op maar zelfs die wens respecteren we”. Li vindt dat er sprake is van een cultuurkloof tussen de leraren en leerlingen. „Het karakter van Tibetanen is wezenlijk anders. Ze zijn erg koppig, kunnen slecht tegen kritiek en hebben een opstandig karakter. Als ze door de leraren op hun tekortkomingen worden gewezen, weigeren ze hun houding te veranderen”. Tudaquda en zijn klasgenoot Dawaduoji zien hun zogenaamde koppigheid als een positieve eigenschap. „Wij beschikken over veel uithoudingsvermogen, werken altijd hard maar houden niet van dwang”, zeggen ze als het schoolhoofd niet meeluistert.

Volgens Tu zijn de ouders van de meeste kinderen boeddhistisch maar hij zegt dat niemand zin heeft om te bidden. „De school legt ons geen verbod op. Maar we zijn erg jong en we moeten hard studeren”. Tu en Duo vinden het wel jammer dat ze slechts eenmaal per week Tibetaans krijgen. „Onze Tibetaanse cultuur, taal en religie is zo rijk dat je er een heel leven aan kan wijden. Maar wij hebben nu eenmaal een andere keuze gemaakt”. Als de Dalai Lama ter sprake komt, kijken Tu en Duo elkaar verbaasd aan. „Heeft de schoolleiding gezegd dat er studenten zijn die een foto van de Dalai bij zich dragen? Dat moet een vergissing zijn”.

Elk jaar komt er een overheidsfunctionaris van het ministerie van Religie naar de school, zo vertelt Tu, om voorlichting te geven over Tibet en het boeddhisme. „Hij houdt ons voor dat we te jong zijn om een mening te hebben over de Dalai Lama en dat analfabeten of laag opgeleiden worden misleid door de separatisten”. Dawaduoji knikt instemmend en zegt dat de meeste Tibetanen niet van sociale onrust houden. „Sommige monniken hebben onder invloed van de buitenlandse separatisten problemen veroorzaakt. Maar de gewone Tibetanen willen rust en welvaart”.

Dawaduoji vindt dat zijn familie alle redenen heeft om de Chinese overheid dankbaar te zijn. Zijn grootvader heeft hem vaak verteld over het Tibetaanse feodale verleden. „Mijn opa huurde een stuk land van een grootgrondbezitter en mijn vader moest als klein kind meer dan tien uur per dag op het land werken. Maar hoe hard hij ook ploeterde, ze konden de huurprijs nooit betalen. De schulden liepen zo hoog op dat mijn opa zichzelf letterlijk moest verkopen aan zijn pachtheer die hem vernederde en martelde”.

Dawaduoji vindt het leven in Peking niet gemakkelijk maar hij put moed uit de aansporing van zijn vader, zes jaar geleden, om de Dalai Lama te respecteren, maar het Chinese pad te volgen. „Volgens mijn vader is dat de enige manier om aan de armoede te ontsnappen”.