Water stroomde recent over het oppervlak van Mars

Puinwaaier op Mars met linksonder het gedeelte vol secundaire kraters (NASA/JPL/University of Arizona)
Puinwaaier op Mars met linksonder het gedeelte vol secundaire kraters (NASA/JPL/University of Arizona)

Opnieuw zijn er aanwijzingen gevonden dat nog onlangs water stroomde over het oppervlak van Mars. Dat wil zeggen: niet langer dan 1,25 miljoen jaar geleden. In het maartnummer van Geology laten planetaire geologen van Brown University op Rhode Island zien hoe zij aan hun schatting komen: door bestudering van foto’s die werden gemaakt met de HiRISE-camera van de Mars Reconnaissance Orbiter. Die vliegt sinds 2006 op een hoogte van maar 300 kilometer over Mars. De aanwezigheid van water is belangrijk omdat zonder water leven op Mars onmogelijk wordt geacht.

Dat er water in de vorm van ijs en rijp voorkomt op Mars is al lang bekend van analyses die vanaf de aarde werden gemaakt. En dat het water ooit in brede stromen en rivieren over het oppervlak heeft gestroomd, staat ook vast. Het was al te zien op de eerste foto’s die de sondes Mariner 9 en Mars 4 en 5 in de jaren zeventig naar de aarde seinden: die toonden brede, droge rivierbeddingen. Hoe lang geleden het Marswater voor het laatst vloeibaar was geweest, bleef onduidelijk.

In 2000 ontstond opwinding door de publicatie van foto’s in Science (30 juni 2000) waarop in de hellingen van kraterwanden duidelijk smalle, scherp gerande geulen waren te zien. Ze leken als twee druppels water op droge geulen die in bergen op aarde worden gevonden. Zo scherp waren de randen van de geulen dat ze niet ouder dan een miljoen jaar konden zijn.

Samuel C. Schon en collega’s komen nu in Geology met een secuurdere schatting. Op de helling aan de binnenkant van een inslagkrater op het zuidelijk halfrond vonden zij een tamelijk diep ingesneden geul die aan de onderzijde in een brede puinwaaier eindigt. Zo’n puinwaaier is een ophoping van het sediment dat een rivier of beek meevoerde. De puinwaaier van Schon is samengesteld uit meerdere lobben van verschillende leeftijd. Alleen de oudste lob vertoonde een grote hoeveelheid secundaire inslagkratertjes. Dat zijn kraters die ontstaan door puin dat bij een primaire inslag wordt weggeslingerd. Door een gelukkig toeval bleek het mogelijk de inslagkrater aan te wijzen die de secundaire kraters had veroorzaakt; hij lag honderd kilometer verderop. Met een klassieke techniek werd de ouderdom van de primaire krater geschat op zo’n 1,25 miljoen jaar. De andere lobben zijn dus jonger.

Dat er meerdere lobben zijn schrijven Schon c.s. toe aan een afwisseling van ijstijden waarbij lokaal steeds veel sneeuw en ijs werd afgezet. De bestudeerde kraterhelling ligt zo gunstig op de zon dat op gezette tijden sneeuw en ijs konden smelten, ondanks de lage temperatuur. Dat Mars zo’n afwisseling van ijstijden had, staat ook vast.

Karel Knip