Verveling heeft zich van de militairen meester gemaakt

Arnon Grunberg slaapt voor het eerst op de matras van een officier. Deel 14 in een serie.

Een militair wordt ook maar gestuurd en in zekere zin vergaat het de mee reizende journalist net zo. Beleefd aandringen kan helpen, maar de vraag ‘wat wil je zien?’ blijft moeilijk te beantwoorden. Alles is misschien wat veel. „Dat wat ik eigenlijk niet zou mogen zien”, is wellicht het juiste antwoord.

Ik zal naar Combat Outpost Blackfoot gaan, ongeveer twintig minuten rijden van Warhorse waar ik gelegerd ben. Volgens majoor Hyde een van de meest aangename Combat Outposts in de provincie Diyala.

In gezelschap van luitenant Casey Martin wacht ik op het vertrek.

De luitenant banjert door het vertrek. Hij stuit op een flinke doos.

„Wat is dit?” roept hij niet onvriendelijk. Hij pakt de doos en bekijkt hem nader.

„Wie heeft vijfduizend koffielepeltjes besteld?” roept de luitenant.

Ergens vanachter antwoordt een sergeant: „We hadden niets om mee te roeren”.

„Ja maar vijfduizend”, roept de luitenant.

Het konvooi maakt zich klaar om te vertrekken. Verleken met de vroege zomer van 2008 lijkt zich verveling van de militairen te hebben meester gemaakt. Niemand die vraagt wat mijn bloedgroep is, niemand die zegt wat we moeten doen als we op een bermbom rijden, niemand die de ‘rules of engagement’ nog even doorneemt.

Je zou dit kunnen uitleggen als teken dat het beter gaat.

Maar voor nogal wat van deze militairen die gestationeerd zijn in Alaska is dit hun eerste uitzending in Irak. Misschien ligt het gewoon aan deze militairen, dit laissez faire, laissez passer dat ik om me heen bespeur.

Combat Outpost is voor zover een basis gemoedelijk kan zijn gemoedelijk. Geen huurlingen die de eetzaal bewaken.

Een kapitein nodigt me uit om op zijn kamer te slapen.

Niet eerder, noch bij de Nederlanders noch bij de Amerikanen, heeft een officier me uitgenodigd het veldbed in te ruilen voor een aangenaam matras.

De kapitein heet Michael Schwille en hij komt uit Chicago.

We nestelen ons in onze bedden.

„Weet je waarom zoveel van die jonge gasten in het leger getrouwd zijn?” vraagt de kapitein. „Omdat ze dan meer verdienen. Maar ze zitten nog niet in het vliegtuig of de vrouwen doen hun ring uit en het feest begint.”

„Dat verklaart een hoop”, zeg ik.

„Ik heb hier niet zoveel mensen om mee te praten”, zegt de kapitein.

Het is goed dat ik ben gekomen. Het oor dat alles wil horen. Het oog dat alles wil zien.