Tussen informatie, nieuws en meningen overheerst de naar nihilisme neigende desinteresse

In de strijd om de aandacht van het verveelde publiek ontmoeten de media en de politiek elkaar bij oppervlakkigheid. Met diepgang bereikt de journalist het publiek niet meer en de politicus het nieuws niet. Het gevolg is dat de neiging om te reflecteren bij iedereen afneemt.

Tussen informatie, nieuws en meningen overheerst de naar nihilisme neigende desinteresse (Illustratie Rik van Schagen)
Tussen informatie, nieuws en meningen overheerst de naar nihilisme neigende desinteresse (Illustratie Rik van Schagen) Schagen, Rik van

Filosoof, columnist van nrc.next.Dit is een bewerking van de proloog van zijn deze week verschenen boek ‘Nietzsche en Kant lezen de krant’ (De Bezige Bij)

Op 8 augustus 2007 verscheen in de Volkskrant een opiniestuk van PVV-leider Geert Wilders, waarin hij pleitte voor een verbod op het voor moslims heilige boek de Koran. Het artikel veroorzaakte onmiddellijk een golf van media-aandacht. Enkele minuten na publicatie stond de oproep al prominent op teletekst; een paar uur later was het bericht de opening van alle journaals. ’s Avonds was het ook tot alle actualiteitenrubrieken en talkshows doorgedrongen en de volgende dag pakten de ochtendkranten er nog eens groot mee uit op hun voorpagina. Avondkrant NRC Handelsblad had het diezelfde dag nog op de voorpagina overgenomen.

NRC Handelsblad had echter de primeur kunnen hebben: Wilders had zijn opiniestuk allereerst naar de avondkrant gestuurd. Ik werkte destijds op de opinieredactie en kan me nog goed herinneren wat ik dacht toen een collega mij het stuk in handen gaf en op een voor hem ongewoon onrustige toon zei: „Lees dit eens. Wat vind jij hiervan?” Ik vatte de toon op als enthousiasme: het was al een tijdje komkommertijd, dus het aanbod aan interessante, controversiële en scherp geformuleerde opiniestukken was niet bepaald ruim. Een pittig betoog van Wilders kwam dus als geroepen. Maar toen ik het eenmaal begon te lezen, maakte mijn aanvankelijke enthousiasme al gauw plaats voor teleurstelling: als opiniestuk was zijn betoog onplaatsbaar.

Niet vanwege morele bezwaren; dat een artikel gevoelens zou kunnen kwetsen, is nooit en mag ook nooit een reden zijn om het niet te plaatsen. Dat een groep mensen in een kwaad daglicht wordt gesteld, is in een kritische beschouwing over een gevoelig onderwerp als religie bovendien vaak onvermijdelijk, dus ook dat kan nauwelijks een relevante afweging worden genoemd. Nee, Wilders’ betoog voldeed inhoudelijk simpelweg niet aan de eisen van publicatie. Sterker nog, Wilders riep eigenlijk maar wat. Een echte analyse van de vermeende fascistische elementen in de islam werd in het stuk niet gegeven. De vergelijking met Adolf Hitlers Mein Kampf werd niet uitgewerkt. En hoe een verbod op een boek, dat in miljarden exemplaren over de hele wereld is verspreid, in praktijk moest worden gebracht, werd niet uitgelegd. Eigenlijk was de argumentatie van de PVV-leider voldoende samengevat in de kop boven het stuk: ‘Genoeg is genoeg: verbied de Koran’. Veel verder reikte het niet.

Plaatsen als stuk was dus geen optie. Maar dat stelde de krant voor een groot dilemma. Want het feit dat een Nederlands parlementariër een boek wilde verbieden, was wel nieuws waar de burger over geïnformeerd diende te worden. Daarom belde de opinieredactie een medewerker van Wilders op met de vraag of hij zijn opiniestuk beter wilde onderbouwen. Als alternatief boden wij aan zijn stuk sterk ingekort te publiceren, als statement in de brievenrubriek. Beide opties wees de PVV-leider via zijn medewerker vriendelijk doch resoluut af. Logisch: Wilders’ bedoeling was om in een nieuwsluwe tijd met een groot opiniestuk extra aandacht voor de PVV te genereren, niet om inhoudelijk verantwoording af te leggen voor een voorstel dat praktisch toch onhaalbaar was. De medewerker zei dat het stuk naar een andere krant zou gaan. Vervolgens heeft de politieke redactie van NRC Handelsblad nog met Wilders’ medewerker gebeld met het voorstel een interview over het Koranverbod af te nemen, voor publicatie op diezelfde dag. Nee, zei de PVV: het opiniestuk was al elders ondergebracht. Bovendien weigerde Wilders zijn standpunt nog langer te bevestigen, waardoor de krant niet alleen het stuk, maar ook het nieuws niet meer kon brengen – er was immers geen officiële bron meer.

De redactie van de Volkskrant besloot het artikel integraal op de opiniepagina af te drukken. Voor die afweging valt veel te zeggen. Er waren ook genoeg redacteuren bij NRC Handelsblad – buiten de opinieredactie – voorstander van. Maar er schuilt tegelijkertijd een behoorlijke dosis opportunisme in. Een opportunisme dat ironisch genoeg nog het treffendst verwoord werd door de Volkskrant zelf: in het hoofdredactioneel commentaar, náást het beruchte artikel, stelde de redactie namelijk dat Wilders’ opiniestuk de vraag opwierp „in hoeverre de fractievoorzitter van de Partij voor de Vrijheid nog toerekeningsvatbaar is”. Dat moet de lezer toch te denken hebben gegeven: plaatst de krant dus stukken waarvan ze zelf vindt dat de auteur niet helemaal bij zinnen is?

Natuurlijk gaat het hier niet om zomaar iemand. Wilders is een volksvertegenwoordiger met negen zetels in de Tweede Kamer. Maar ontslaat dat hem van de plicht om zijn standpunten te beargumenteren? Uiteraard niet. Toch werd voor Wilders de inhoudelijke lat lager gelegd, en niet zonder gevolgen: weken, zo niet maandenlang, werd het debat gedomineerd door een voorstel dat slecht beredeneerd, nauwelijks onderbouwd en praktisch onhaalbaar was. Wilders zelf was al die tijd niet bereikbaar voor commentaar.

Nu schets ik de aanloop naar deze mediahype niet om de Volkskrant in een kwaad daglicht te stellen. Integendeel, dit voorbeeld illustreert juist eerder de onmacht van de journalistiek om inhoudelijke eisen te stellen dan de onwil. Want net als voor NRC Handelsblad geldt voor de Volkskrant: als wij het artikel niet plaatsen, doet een ander het wel. De concurrentie van andere media dringt dus een zeker opportunisme op. Commerciële belangen maken inhoud soms minder belangrijk dan elkaar de loef afsteken met hypegevoelig materiaal. Naarmate de concurrentie toeneemt, wordt die commerciële kant alleen maar belangrijker.

Natuurlijk is het onjuist en onheus om ‘de media’ voor te stellen als één grote, commercieel gedreven hypemachine. De Volkskrant is Metro niet, nu.nl is geen nrc.nl en De Groene Amsterdammer is iets anders dan Panaroma. Toch zijn er in alle media tendensen zichtbaar die een toenemende macht van commerciële belangen verraden. Zo wordt de journalistiek, uit angst om de aandacht kwijt te raken, over de gehele linie steeds korter van stof. Artikelen van meer dan duizend woorden zijn in kranten tegenwoordig steeds meer uitzondering dan regel; in treinkranten staan überhaupt nauwelijks artikelen.

Ook in Hilversum is kort en bondig de absolute norm geworden. De metingen van het Centrum voor Kijk- en Luisteronderzoek, waar op de seconde nauwkeurig het kijkgedrag van het televisiepubliek wordt geregistreerd, vormen sinds enkele jaren het belangrijkste uitgangspunt voor de vormgeving en programmering van de publieke zenders. En de gemiddelde Nederlandse tv-kijker blijkt een onrustig type: een pauze of stilte langer dan een paar seconden doet hem al naar een andere zender zappen. Te lang stilstaan bij hetzelfde onderwerp verdraagt de snel verveelde televisieconsument evenmin. Interviews in praatprogramma’s worden daarom niet langer gemaakt dan strikt noodzakelijk is. Gesprekken bij Pauw & Witteman, de belangrijkste serieuze, dagelijkse talkshow van de publieke omroep, duren gemiddeld zo’n twaalf minuten per gast. Wie dat nog te lang vindt, kan het hele programma in ‘vodcasts’ van vijf minuten terugkijken op internet.

Het moordende tempo dat op televisie de norm is, heeft als gevolg dat het publieke debat sterk bepaald wordt door mensen die in staat zijn en bereid zijn om uitsluitend in soundbytes te redeneren. Mediapersoonlijkheden als Jort Kelder en Jan Mulder komen in één week vaker aan het woord dan de meeste hoogleraren, academici en wetenschappers in hun hele carrière. Deze BN’ers zijn ‘veilige’ gasten voor programmamakers: je weet tenminste zeker dat het geen ‘saaie’ of ‘langzame’ televisie wordt.

Ook eenduidige, stellige politici worden beduidend vaker gevraagd dan hun intellectuelere en genuanceerdere collega’s. Dat bleek althans uit een kleinschalig onderzoek naar de samenstelling van het opiniekorps door Hans Beerekamp, die begin 2008 drie maanden lang alle gasten turfde die door de zeven belangrijkste nieuwsrubrieken werden uitgenodigd. De onbetwiste winnaar met negentien optredens was Rita Verdonk, de enige politica van Nederland zónder partijprogramma, maar met het ongeëvenaarde talent om zich in oneliners uit te drukken.

Het gebrek aan intellectuelen in het publieke debat komt echter niet alleen voort uit een commercieel gemotiveerde angst om kijkers (en dus adverteerders) kwijt te raken. Er ligt ook een diepere, filosofische oorzaak aan ten grondslag: de inflatie van het begrip ‘deskundigheid’. Die inflatie is vooral te danken aan het postmoderne denken, dat aan het eind van de negentiende en bijna de gehele twintigste eeuw in het Westen furore maakte. Onder invloed van sceptici als Søren Kierkegaard en Friedrich Nietzsche raakte het streven naar waarheid uit de gratie. Dé waarheid bestond helemaal niet, of was op z’n hoogst een door de mens gefabriceerde sociale constructie, zo luidde langzaam maar zeker de communis opinio – niet alleen in filosofische kring, maar ook daarbuiten. Zo werd iedere opvatting min of meer gereduceerd tot ‘slechts’ een mening: niemand had de definitieve of ware visie op de wereld in pacht.

Daarmee kwam ook het begrip deskundigheid op losse schroeven te staan. Er was immers geen criterium meer voorhanden om te beoordelen of een bepaalde opvatting meer waar of waardevoller was dan een andere. De waarheid – voor zover daarvan werd gesproken – was eerder een kwestie van optellen geworden: alle meningen bij elkaar benaderden ‘het juiste’ misschien nog wel het meest. Veel journalistieke redacties lijken zich aan die gedachte te hebben overgeleverd. Je zou het de ‘wikipediasering’ van de journalistiek kunnen noemen: de websites van bijna alle kranten in Nederland worden tegenwoordig volgeschreven door anonieme internetgebruikers, die op discussiefora en onder ieder nieuwsbericht hun mening mogen geven (of beter gezegd: hun grieven mogen uiten).

Nu is de koudwatervrees om onderscheid te maken tussen gezaghebbende en willekeurige meningen mijns inziens filosofisch volstrekt legitiem. Een alomvattend wereldbeeld is per definitie onmogelijk; niemand heeft, in metafysische zin, meer recht van spreken dan een ander. Maar dat neemt niet weg dat dit uitgangspunt in de dagelijkse praktijk van een publiek debat wel degelijk nadelige effecten heeft. Voor het grootste nadelige effect waarschuwde Nietzsche zelf al toen hij God (oftewel de waarheid) ‘dood’ verklaarde: het gevaar van nihilisme. Als geen enkele opvatting gezaghebbender is dan enig andere, waarom dan überhaupt nog opvattingen huldigen? Het gevaar van nihilisme is aan de orde van de dag.

Desinteresse en cynisme kenmerken immers al jaren het publieke debat in Nederland – voor zover je al van een echt debat kunt spreken. Terwijl in Duitsland bijvoorbeeld al maandenlang een vurige discussie wordt gevoerd over de verhouding tussen de macht van de staat en de privacy van burgers, wordt de privacykwestie in Nederland afgedaan met een apathisch ‘ach, wie niks te verbergen heeft, heeft ook niks te vrezen’. En dat komt niet doordat de Nederlander zich geen zorgen hoeft te maken: een elektronisch kinddossier dat gegevens bevat over de ‘wijze van opvoeden’, een elektronisch patiëntendossier dat gevoelige medische gegevens digitaal beschikbaar maakt, de identificatieplicht, een recordaantal telefoontaps, belgegevens met een bewaarplicht van twee jaar, – het is slechts een willekeurige greep uit de voorbeelden die toch een stevig debat zouden rechtvaardigen.

Een andere treffende illustratie van de sluimerende desinteresse is het debat – of liever gezegd: het gebrek daaraan – over de Europese eenwording. In 2005 werd de nieuwe Europese Grondwet nog door een grote meerderheid van de bevolking afgewezen. Maar toen een slechts cosmetisch herziene versie – met een beetje minder symboliek en een andere naam – alsnog via de parlementaire achterdeur werd goedgekeurd, bleef het stil. Fait accompli, luidde de cynische conclusie; over Europa is daarna geen substantiële discussie meer van de grond gekomen.

Deze naar nihilisme neigende desinteresse (‘wat maakt het allemaal uit’) heeft niet alleen te maken met de befaamde kloof tussen burger en politiek, maar ook met een diep wantrouwen jegens de bemiddelaar: de media. Steeds vaker beklagen burgers én politici zich over ‘beeldvorming’: niet dé werkelijkheid, maar een subjectief of zelfs gemanipuleerd beeld van de werkelijkheid is wat de media ons voorhouden, luidt de klacht. Dat klopt, maar ook hier heeft dat besef van subjectiviteit dezelfde nihilistische consequentie: we hechten geen waarde meer aan nieuws (‘het is maar een beeld’), we wantrouwen de bron (‘de media manipuleren’) en we zijn bovendien cynisch over de mogelijkheid tot verandering (‘het is nu eenmaal zo’).

De ironie van deze desinteresse is dat ze vaak zelfversterkend werkt. Want aan den ene kant zet die desinteresse het journaille ertoe aan om met allerlei niet-inhoudelijke kunstgrepen de aandacht van het snel verveelde publiek vast te houden: het nieuws wordt teruggebracht tot zestig seconden, afgewisseld met kolderieke YouTube-filmpjes en opgeleukt met BN’ers. Maar aan de andere kant veroorzaakt deze infotainmentjournalistiek ook die desinteresse en het cynisme waar ze tegen moet vechten. Want hoe kan iemand werkelijk geïnteresseerd raken in zoiets complex als mensenrechtenschendingen in Tibet, als hij weet dat tien minuten later het gespreksonderwerp alweer verandert in de nieuwste cd van Lee Towers? En hoe kan iemand echt iets begrijpen van het radicale islamisme in het Midden-Oosten, als de discussie na twaalf minuten al wordt onderbroken door de Zapservice?

Geen wonder dus dat de animo voor serieuze, diepgravende verslaggeving – en daarmee voor belangrijke maatschappelijke kwesties als privacy en de Europese Unie – tanende is. De burger is het simpelweg niet meer gewend. Dus houden we het voor het gemak zo simpel mogelijk. En helaas ontmoeten politiek en journalistiek elkaar te vaak in die behoefte. Ze hebben er immers, zoals het Koranverbod van Wilders al illustreerde, beide voordeel bij. Voor de een betekent het hogere kijkcijfers of een grotere lezersschare; voor de ander meer aandacht en meer stemmen. Het jammerlijke gevolg is dat daardoor de neiging om te reflecteren bij iedereen afneemt. Bij de journalist, omdat hij denkt: met diepgang bereik ik het publiek niet; bij de politicus, omdat hij weet: met diepgang haal ik het nieuws niet; en ten slotte bij het publiek of electoraat zelf, dat zich afvraagt: waarom nadenken over iets wat morgen toch alweer plaats heeft moeten maken voor de volgende rel? Het wordt tijd voor de moed om dat patroon eens te doorbreken.